.
Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, meestal afgekort tot Beeld & Geluid, beheert het archief van de Nederlandse omroep. Radio en TV. Op 27 mei 2026 opende het instituut de deuren van het audiovisuele archief voor het grote publiek, via het online platform ‘De Schatkamer’. Nog lang niet alles uit het archief is daar nu al beschikbaar, maar wel al heel veel. Van Chris van Geel is daarin tot nu toe één item te vinden: een audiofragment van 16 minuten en 48 seconden, dat zo wordt beschreven:
“Chr.J. van Geel (dichter, beeldend kunstenaar) leest uit zyn werk (natuurpoezie vol symboliek)”
Ik citeer het zoals het er staat, dus met ‘zyn’ in plaats van ‘zijn’ en ‘poezie’ in plaats van ‘poëzie’, en met die wat vermoeid klinkende genreaanduiding ‘natuurpoezie vol symboliek’ – alsof de archivaris van dienst ook niet goed wist wat hij ermee aan moest. Daar heb je er weer zo een, zo’n natuurdichter, met van die, hoe zeg je dat, van die natuurversjes waarvan ik ook niet goed weet hoe ik het moet beschrijven, dus ik zeg maar gewoon “natuurpoezie vol symboliek”, dat klinkt altijd goed en het is vast nog waar ook.
Vermoedelijk is dit fragment ooit ergens op een ‘magneet’band aangetroffen, en daarna beschreven, maar niemand wist blijkbaar toen nog iets over de herkomst. Bij de omroep staat “VARA”, dat was kennelijk wel duidelijk. Achter ‘programma titel’ vermeldt het archief “Niet bekend”, en een nummer (17946). Als datum wordt gegeven “exacte datum onbekend”, maar men denkt om een of andere reden wel dat het van ná 01.01.1973 is. Het fragment heeft als identificatiecode de Persistent Identifier (PID) URN:NBN:NL:IN:20-PGM440781.
In het fragment horen we Chris van Geel in een straf tempo gedichten voorlezen, zonder enige inleiding en zonder enig commentaar. Was het misschien de bedoeling om een paar van de voorgedragen gedichten later door een radioportret van hem te strooien? Hij leest hier 44 gedichten in totaal, allemaal afkomstig uit zijn eerste drie bundels (verschenen in 1958, 1967 en 1971), dus nog niet uit de bundel Enkele gedichten die in december 1973 zou verschijnen. Als datering voor dit fragment ligt dan 1971, 1972 of 1973 voor de hand.
Van Geel leest zijn 44 gedichten heel snel voor, in een tijdsbestek van 14 minuten en 12 seconden. Dat komt neer op een gemiddelde van zo’n drie gedichten per minuut, dat is: twintig seconden per gedicht. Nu zijn de gedichten van Van Geel meestal kort, en soms zelfs zeer kort (één regel), dus zo verwonderlijk is dat tempo nu ook weer niet, maar toch maakt zijn voordracht daarnaast ook een wat gehaaste indruk. Voelde hij zich er wat ongemakkelijk bij, wilde hij het maar zo snel mogelijk achter de rug hebben? Zijn voordracht is zeker niet zangerig, of gedragen, of emotioneel – eerder een beetje droog en zakelijk. Zijn stem is zacht, niet opdringerig, en door zijn opvallend aandachtig uitgesproken zacht rollende -r ook wel wat knisperig – zoals droog dor blad ritselt in de wind.
Het tempo van de voordracht is dus hoog, maar tegelijk is er wel degelijk veel aandacht voor detail. Dat valt ook wel te verwachten bij een precieze dichter als Van Geel. Alle woorden worden heel zorgvuldig uitgesproken, en ook alle afzonderlijke lettergrepen, en soms zelfs afzonderlijke letters – vooral aan het eind van een woord, en zeker als dat woord aan het eind van een versregel staat. Een woord als ‘geluk’ klinkt bij hem als ‘gelu-k’. De p kan soms veel nadruk krijgen: ‘schapen in lompen’ klinkt bij hem als ‘scha-p-en in lom-p-en’. Echt opvallend is zijn nadruk op de slot -t, die steeds afzonderlijk wordt uitgesproken. Wie een gedicht als ‘Lichtval’ in stilte leest valt het niet zo op, maar als het door Van Geel wordt voorgedragen blijkt het van de slot -t’s aan elkaar te hangen:
(…)
De zon weeg-t op de kim, daal-t hei tegemoe-t,
zan-d voel-t de zon op zijn mon-d,
helm zon-t zijn voe-t.
Ik zoek win-d-stil-te in deze zee van lich-t
waarin de win-d zijn han-d toesteek-t, omarm-t,
kus-t, zwijgen-d beeldspraak spreek-t.
Alleen om he-t lich-t, hoe het val-t,
hoe he-t vlieg-t, besta ik, doo-d-val-t, opvlieg-t.
De enige keer dat Van Geel in het openbaar voorlas was op maandag 2 april 1962, bij het Boekbal in Bergen. Godfried Bomans was erbij en kwam na afloop nog even naar hem toe, schreef Van Geel een dag later in een brief aan Judith Herzberg en Huyck van Leeuwen. “Bomans zei me dat hij niet wist dat Nederlands zo mooi kon klinken en zoveel t’s had.”
De voordracht van Van Geel zou je kunnen omschrijven als erg stip-t. Goed ge-ar-ti-cu-leerd, maar ook wel een beetje gekunsteld. Het kon op een onvoorbereide luisteraar al gauw een wat vreemde indruk maken, alsof hij geen geboren spreker van het Nederlands was. Bomans zei tegen Van Geel dat hij Hollands sprak “als een Engelsman of Duitser”. En hij vroeg zich af: “‘Kwam ik wel uit Nederland?’”
• Chris J. van Geel. Portret door Wim Ruigrok.
Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, meestal afgekort tot Beeld & Geluid, beheert het archief van de Nederlandse omroep. Radio en TV. Op 27 mei 2026 opende het instituut de deuren van het audiovisuele archief voor het grote publiek, via het online platform ‘De Schatkamer’. Nog lang niet alles uit het archief is daar nu al beschikbaar, maar wel al heel veel. Van Chris van Geel is daarin tot nu toe één item te vinden: een audiofragment van 16 minuten en 48 seconden, dat zo wordt beschreven:
“Chr.J. van Geel (dichter, beeldend kunstenaar) leest uit zyn werk (natuurpoezie vol symboliek)”
Ik citeer het zoals het er staat, dus met ‘zyn’ in plaats van ‘zijn’ en ‘poezie’ in plaats van ‘poëzie’, en met die wat vermoeid klinkende genreaanduiding ‘natuurpoezie vol symboliek’ – alsof de archivaris van dienst ook niet goed wist wat hij ermee aan moest. Daar heb je er weer zo een, zo’n natuurdichter, met van die, hoe zeg je dat, van die natuurversjes waarvan ik ook niet goed weet hoe ik het moet beschrijven, dus ik zeg maar gewoon “natuurpoezie vol symboliek”, dat klinkt altijd goed en het is vast nog waar ook.
Vermoedelijk is dit fragment ooit ergens op een ‘magneet’band aangetroffen, en daarna beschreven, maar niemand wist blijkbaar toen nog iets over de herkomst. Bij de omroep staat “VARA”, dat was kennelijk wel duidelijk. Achter ‘programma titel’ vermeldt het archief “Niet bekend”, en een nummer (17946). Als datum wordt gegeven “exacte datum onbekend”, maar men denkt om een of andere reden wel dat het van ná 01.01.1973 is. Het fragment heeft als identificatiecode de Persistent Identifier (PID) URN:NBN:NL:IN:20-PGM440781.
In het fragment horen we Chris van Geel in een straf tempo gedichten voorlezen, zonder enige inleiding en zonder enig commentaar. Was het misschien de bedoeling om een paar van de voorgedragen gedichten later door een radioportret van hem te strooien? Hij leest hier 44 gedichten in totaal, allemaal afkomstig uit zijn eerste drie bundels (verschenen in 1958, 1967 en 1971), dus nog niet uit de bundel Enkele gedichten die in december 1973 zou verschijnen. Als datering voor dit fragment ligt dan 1971, 1972 of 1973 voor de hand.
Van Geel leest zijn 44 gedichten heel snel voor, in een tijdsbestek van 14 minuten en 12 seconden. Dat komt neer op een gemiddelde van zo’n drie gedichten per minuut, dat is: twintig seconden per gedicht. Nu zijn de gedichten van Van Geel meestal kort, en soms zelfs zeer kort (één regel), dus zo verwonderlijk is dat tempo nu ook weer niet, maar toch maakt zijn voordracht daarnaast ook een wat gehaaste indruk. Voelde hij zich er wat ongemakkelijk bij, wilde hij het maar zo snel mogelijk achter de rug hebben? Zijn voordracht is zeker niet zangerig, of gedragen, of emotioneel – eerder een beetje droog en zakelijk. Zijn stem is zacht, niet opdringerig, en door zijn opvallend aandachtig uitgesproken zacht rollende -r ook wel wat knisperig – zoals droog dor blad ritselt in de wind.
Het tempo van de voordracht is dus hoog, maar tegelijk is er wel degelijk veel aandacht voor detail. Dat valt ook wel te verwachten bij een precieze dichter als Van Geel. Alle woorden worden heel zorgvuldig uitgesproken, en ook alle afzonderlijke lettergrepen, en soms zelfs afzonderlijke letters – vooral aan het eind van een woord, en zeker als dat woord aan het eind van een versregel staat. Een woord als ‘geluk’ klinkt bij hem als ‘gelu-k’. De p kan soms veel nadruk krijgen: ‘schapen in lompen’ klinkt bij hem als ‘scha-p-en in lom-p-en’. Echt opvallend is zijn nadruk op de slot -t, die steeds afzonderlijk wordt uitgesproken. Wie een gedicht als ‘Lichtval’ in stilte leest valt het niet zo op, maar als het door Van Geel wordt voorgedragen blijkt het van de slot -t’s aan elkaar te hangen:
(…)
De zon weeg-t op de kim, daal-t hei tegemoe-t,
zan-d voel-t de zon op zijn mon-d,
helm zon-t zijn voe-t.
Ik zoek win-d-stil-te in deze zee van lich-t
waarin de win-d zijn han-d toesteek-t, omarm-t,
kus-t, zwijgen-d beeldspraak spreek-t.
Alleen om he-t lich-t, hoe het val-t,
hoe he-t vlieg-t, besta ik, doo-d-val-t, opvlieg-t.
De enige keer dat Van Geel in het openbaar voorlas was op maandag 2 april 1962, bij het Boekbal in Bergen. Godfried Bomans was erbij en kwam na afloop nog even naar hem toe, schreef Van Geel een dag later in een brief aan Judith Herzberg en Huyck van Leeuwen. “Bomans zei me dat hij niet wist dat Nederlands zo mooi kon klinken en zoveel t’s had.”
De voordracht van Van Geel zou je kunnen omschrijven als erg stip-t. Goed ge-ar-ti-cu-leerd, maar ook wel een beetje gekunsteld. Het kon op een onvoorbereide luisteraar al gauw een wat vreemde indruk maken, alsof hij geen geboren spreker van het Nederlands was. Bomans zei tegen Van Geel dat hij Hollands sprak “als een Engelsman of Duitser”. En hij vroeg zich af: “‘Kwam ik wel uit Nederland?’”
• Chris J. van Geel. Portret door Wim Ruigrok.

Reacties
Een reactie posten