. Kun je van iemand zeggen dat hij of zij over “een feilloze smaak” beschikt? Eigenlijk niet – daarvoor is smaak nu eenmaal te subjectief. Toch gebruikt J.P. Guépin die typering als hij het heeft over de smaak die Chris van Geel en Thérèse Cornips ontwikkelden toen ze elkaar, in het najaar van 1952, hadden gevonden en waren gaan samenwonen in Van Geels atelierwoning in Groet. Zij beschikten allebei over “het volmaakte oog”, nog zo’n subjectieve typering, niet alleen “voor beeldende kunst en literatuur, maar ook voor de dingen”. Vanaf de komst van Cornips werd het huis geleidelijk ingericht “met de Victoriaanse of boerenspullen die bij de uitdrager Henke in Alkmaar of in boelhuizen gekocht werden.” Geld was er niet, dus er moest lang en goed gespeurd worden, en dan moest elk artikel ook nog eens voldoen aan de strenge eisen die de feilloze smaak nu eenmaal stelde. Het ging dan bijvoorbeeld om “een mangelbak met precies de juiste afschilfering”...
. In de nacht van 11 op 12 februari 1972 brandde het huis van Chris van Geel en Elly de Waard af. Zij waren niet thuis toen het gebeurde. Toen ze diep in de nacht in Groet aankwamen, was de brand al geblust. “Alles was veranderd in een natte prut”, vertelde Van Geel later. Maar alles stond nog wel min of meer op zijn eigen plaats. Dat werd anders toen de brandweer besloot de muren toch maar omver te trekken, omdat er gevaar voor instorting bestond. Er ging bij de brand van alles verloren, maar toch bleek een nog verrassend groot deel van de brieven, gedichten en tekeningen gered te kunnen worden. De Amsterdamse hoogleraar Hellinga zorgde ervoor dat er de volgende dag al een busje bij het afgebrande huis stond om nog zoveel mogelijk van de aangebrande natte manuscripten en andere papieren in veiligheid te brengen. Ze werden voorlopig naar het Ceres-gebouw in Amsterdam gebracht, een dependance van de Universiteitsbibliotheek. ...