. Eind 1958, een half jaar na het verschijnen van Spinroc en andere verzen , de debuutbundel van Chris van Geel, wilde journalist W. Hoffmann hem daarover interviewen. De dichter voelde er niet zo veel voor, en daarom verliep het gesprek schriftelijk. Van Geel ging uitgebreid op alle vragen van Hoffmann in, maar bracht – net als in zijn gedichten – ook steeds weer wijzigingen aan in zijn antwoorden. Uiteindelijk wijdde Hoffmann maar een paar regels aan Spinroc en deed hij maar een kleine greep uit de antwoorden die Van Geel hem had toegestuurd ( Algemeen Dagblad , dinsdag 30 december 1958). Een van de vragen van Hoffmann was: “Kunt U iets vertellen over Uw werkwijze?” Dit was het antwoord, dat de krant niet heeft gehaald: “Werk? Alleen uit niets doen ontstaat iets.” • Chris van Geel in de krant.
. Chris van Geel had de gewoonte om laat op te staan en dan meteen aan het werk te gaan, zo schreef Elly de Waard in haar portret van hem. Pas aan het eind van de middag, na een hele dag gedichten schrijven, en brieven, ging hij zich wassen en aankleden. Bij het wassen en aankleden “liep hij onbekommerd door het huis – hij was verademend onpreuts – en zong of declameerde hij luid en opgewekt. De voordracht behelsde rijmpjes in de trant van: ‘Goedemorgen, juffrouw Beuker, hier is de nieuwe kippenneuker!’ of ‘Kijk eens even, de kwestie is deze, geen kinderen en toch te kezen!’, waarna hij weer in dat aanstekelijke gelach kon uitbarsten.” Ook zong hij liedjes, of regels uit liedjes: “De liedjes die hij zong konden onverwacht afkomstig blijken te zijn uit een musical uit de jaren twintig, waarvan bijvoorbeeld de volgende frase hem was bijgebleven: ‘Mooie zus, mooie zus, van de autobus, kind wat ruik je toch weer lekker naar benziéééne…’ Daarbij voerde hij soms dansen uit met de han...