. In 1947 kreeg Chris van Geel, samen met nog vijf andere schilders, de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst. Dat was, en is nog steeds, een aanmoedigingsprijs, bedoeld voor beeldend kunstenaars tot vijfendertig jaar. De prijs, in 1871 al ingesteld door koning Willem III, wordt elk jaar uitgereikt in het Paleis op de Dam in Amsterdam, door de koning of koningin. In zijn prozastukje ‘Mijn relaties tot het koninklijk huis’ ( Barbarber , september 1968) herinnerde Van Geel zich later hoe hij in het najaar van 1947 “in de prachtige Burgerzaal voorgesteld werd aan H.M.”. H.M., Hare Majesteit, was niet de regerende vorstin Wilhelmina, die toen tijdelijk het koninklijk gezag had neergelegd, maar haar dochter Juliana, die haar moeder officieel pas zou opvolgen op 4 september 1948. Van de ontvangst in het Paleis herinnerde Van Geel zich ook nog dat Hare Majesteit “aan ons, schilders, de vraag [stelde] hoe de toekomst van de kunst zou zijn.” Het is, zou men kunnen zeggen, een boei...
. Bij dit gedicht van Chris van Geel heb ik mij altijd wat ongemakkelijk gevoeld: ZWANEN Je wilt op veren met ze mee en je besluit ze brood te geven. Het is te vinden in de bundel Enkele gedichten (1973). Misschien valt er wel iets moois over te zeggen, maar voor mijn gevoel is het maar een zwak versje. Er zit een tegenstelling in. Aan de ene kant: willen vluchten uit de dagelijkse realiteit, willen wegdrijven of wegvliegen, de vrijheid tegemoet – de vrijheid van zwanen, en misschien ook nog wel de vrijheid van poëzie. De zwaan is het klassieke symbool voor de dichter. Daartegenover: de gemakkelijke, brave, burgerlijke oplossing ze voorlopig eerst maar eens een stuk brood te gaan voeren. Dit is er ook zo een waaraan ik nooit heb kunnen wennen. Uit dezelfde bundel, ...