. Chris van Geel was “een ongelooflijk bijzonder persoon”, vertelde Thérèse Cornips, in haar boek met herinneringen aan de dichter met wie ze tien jaar lang samenleefde, in Groet, tussen 1952 en 1962. Hij was in alles “een leuke geest”, en “alles wat hij zei was bijzonder.” Zo beschreef ze hem: “Hij was voor geen gat te vangen, op geen enkele wijze; clichés waren hem helemaal vreemd.” Als voorbeeld van zijn originele gedrag vertelde ze het verhaal over het vliegje in het oor van Van Geel: “We gingen een keer naar de fietsenmaker in Catrijp, helemaal aan het eind van de middag, om een gerepareerde fiets op te halen. Die fietsenmaker woonde met zijn vrouw en zoon in een klein huisje. Aan de zijkant van het huisje zat de voordeur, en in die voordeur zat zo’n kijkdeurtje. We hadden de fiets opgehaald en het deurtje was net dicht gegaan, toen Chris een vliegje in zijn oor kreeg. Hij was daar erg van ond...
. Chris van Geel is ook de dichter van de verrassende beeldspraak. In zijn bespreking van Spinroc en andere verzen (1958) schreef Simon Vestdijk al heel lovend over zijn “flitsgewijs opduikende beelden en vergelijkingen”. Hier is zo’n vondst, te vinden in zijn tweede bundel, uit 1967: MOND In het gezicht toont het gebit het mooist, ik, als ik met meisjes spreek, geloof de bloem te zien van haar skelet, bloembladeren ivoor, het hart van tong in een krans van lip. Volgens de definities is er verschil tussen gebit (tanden) en skelet (botten), maar voor Van Geel bestaat dat onderscheid niet. Hij ziet de tanden hier als een onderdeel van het skelet. Niet zomaar een onderdeel – het gebit is het deel waarmee het harde bottenstelsel zich laat zien aan de buitenwereld, en dan ...