. In februari 1971 verscheen de derde lijvige dichtbundel van Chris van Geel: Het zinrijk . Hij had er lang aan gewerkt, zoals aan al zijn bundels – en aan al zijn gedichten. We mogen er wel van uitgaan dat hij het openingsgedicht met zorg had gekozen. Het zinrijk opende met een lange, zestig gedichten tellende afdeling ‘Areaal’, en daarvan was dit het eerste gedicht: ONDERHOUT Wat leeft groeit krom, dichtbij de grond, vitaal en dom. Onderhout, met een t aan het eind, is de verzamelnaam voor het “laag houtgewas onder de bomen die de opstand vormen”, volgens Van Dale. Ik ben geen bosdeskundige, dus ik moet dan ook weer opzoeken hoe dat zit met die opstand. Met “opstand” wordt “het in een bos of een gedeelte ervan voorhanden geboomte” bedoeld, zegt Van Dale. Ofwel: “het staand hout”. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gebruikt voor “onderhout” deze definitie: de “lage, struikachtige, min of meer verwilderde begroeiing tussen de bomen in een bos of populierenopstand.” A...
. In Spinroc en andere verzen (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels in totaal, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen niet erg compacte, maar nogal spreektalige stijl: LENTE ’57 Voor wat het mooie weer verstoort, het ritselen van dorre bladeren, de wind, de grijze veren aan de horizon, ben ik een stal met open deuren om in te rijden, uit te rijden, het nadenken een bergplaats. Voor zon heb ik geen oog, zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar en speelt haar sluiers eindeloos. Zij is misplaatst, verspild. Ik kies de nacht, het distelblad, een koepel voor gestorven muziek, een afdak voor verdriet, een winter in het gras. Ik wilde er iets over opzoeken, via Google, maar vond niet wat ik zocht. Zou de AI-assistent van Google er nog iets over te melden hebben? Jawel: “Het gedicht ‘Lente ’57’ van Chr.J. van Geel (1917–1974) is een kort, intens natuurgedicht dat typerend is voor zijn st...