. Chris van Geel had de gewoonte om laat op te staan en dan meteen aan het werk te gaan, zo schreef Elly de Waard in haar portret van hem. Pas aan het eind van de middag, na een hele dag gedichten schrijven, en brieven, ging hij zich wassen en aankleden. Bij het wassen en aankleden “liep hij onbekommerd door het huis – hij was verademend onpreuts – en zong of declameerde hij luid en opgewekt. De voordracht behelsde rijmpjes in de trant van: ‘Goedemorgen, juffrouw Beuker, hier is de nieuwe kippenneuker!’ of ‘Kijk eens even, de kwestie is deze, geen kinderen en toch te kezen!’, waarna hij weer in dat aanstekelijke gelach kon uitbarsten.” Ook zong hij liedjes, of regels uit liedjes: “De liedjes die hij zong konden onverwacht afkomstig blijken te zijn uit een musical uit de jaren twintig, waarvan bijvoorbeeld de volgende frase hem was bijgebleven: ‘Mooie zus, mooie zus, van de autobus, kind wat ruik je toch weer lekker naar benziéééne…’ Daarbij voerde hij soms dansen uit met de han...
. Chris van Geel hield niet van publiciteit, en zeker niet van persoonlijke interviews. Je zou hem ‘gereserveerd’ kunnen noemen, in de eerste betekenis die Van Dale bij dat woord geeft: zich op een afstand houdend, terughoudend, afwachtend. “Over zijn werk schrijven màg, maar verzoeken om interviews wimpelt hij af”, schreef journalist Ivan Sitniakowsky, die hem graag wilde spreken. De dichter legde hem helder uit hoe hij zijn eigen positie zag: “‘U moet het zo zien, dat ik eigenlijk niet besta, dat ik er niet ben’, zei hij gereserveerd door de telefoon.” Toch slaagde Sitniakowsky er na nog enig aandringen in om Van Geels reserves weg te nemen. Hij mocht hem zowaar komen bezoeken in Groet. Het resultaat werd een uitgebreid portret ( Algemeen Handelsblad , 23 november 1968) van de dichter, en van zijn werk, met ook enige interviewfragmenten. Na het gesprek, dat tot ’s avonds laat duurde, liep Van Geel met Sitniakowsky mee terug naar de bushalte waar de laatste bus van Groet naar...