. In Spinroc en andere verzen (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen weinig compacte, spreektalige stijl: LENTE ’57 Voor wat het mooie weer verstoort, het ritselen van dorre bladeren, de wind, de grijze veren aan de horizon, ben ik een stal met open deuren om in te rijden, uit te rijden, het nadenken een bergplaats. Voor zon heb ik geen oog, zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar en speelt haar sluiers eindeloos. ...
. De derde afdeling in de bundel Het zinrijk (1971) heet ‘Uit de slaap gered’. Ze bestaat uit tweeënveertig gedichten. De meeste daarvan zijn kort, maar dat geldt voor de meeste gedichten van Van Geel. Ze liggen, zoals de titel al aangeeft, dicht bij de droom, de slaap en de halfslaap, maar ook dat geldt voor de meeste gedichten van Van Geel. Hooguit kun je zeggen dat de surrealistische inslag hier wat hoger is dan gemiddeld: grilliger en fragmentarischer, meer rare raadselachtige beelden en dichterlijke nieuwvormingen. Dit is een van die gedichten: BINNENBORST Borstplaat ben ik van een grote laagheid, heb je ’t ooit zo zoet geproefd? Dichters zijn meer dan gemiddeld geïntrigeerd door woorden en staan soms langer stil bij een woord. Dit gedicht zou wel eens ontstaan kunnen zijn doordat Van Geel gefrappeerd werd door het merkwaardige woord ‘borstplaat’. Een borstplaat is een metalen plaat ter bescherming van de borst, maar de meeste mensen zullen het kennen in een heel andere ...