. In Spinroc en andere verzen (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels in totaal, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen niet erg compacte, maar nogal spreektalige stijl: LENTE ’57 Voor wat het mooie weer verstoort, het ritselen van dorre bladeren, de wind, de grijze veren aan de horizon, ben ik een stal met open deuren om in te rijden, uit te rijden, het nadenken een bergplaats. Voor zon heb ik geen oog, zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar en speelt haar sluiers eindeloos. Zij is misplaatst, verspild. Ik kies de nacht, het distelblad, een koepel voor gestorven muziek, een afdak voor verdriet, een winter in het gras. Ik wilde er iets over opzoeken, via Google, maar vond niet wat ik zocht. Zou de AI-assistent van Google er nog iets over te melden hebben? Jawel: “Het gedicht ‘Lente ’57’ van Chr.J. van Geel (1917–1974) is een kort, intens natuurgedicht dat typerend is voor zijn st...
. Het kan mee-, maar ook tegenzitten in het leven. De jonge Chris van Geel kwam er al vroeg achter dat zijn moeder niet erg op hem gesteld was – en hem misschien zelfs liever niet gehad had, vertelde hij in oktober 1972 tegen G. Brands. “De ontdekking dat zijn moeder hem blijkbaar toch niet zo’n gewenst creatuur vond, was een tegenslag”, noteerde Brands droogjes. Soms kunnen mensen over zo’n vroege teleurstelling heen groeien, maar dat is Van Geel nooit helemaal gelukt. Het had invloed op hoe hij daarna tegen het leven aankeek: het ontbreken van enige moederliefde “was een tegenslag, zoals volgens hem het hele bestaan een tegenslag is.” Toch maakte hij op Brands geen geknakte indruk. “Hij bezit een lakonieke humor, die aanstekelijk werkt op zijn bezoeker. En na een van zijn tekeningen in een kort tevoren ontvangen, zeer passend lijstje te hebben geraamd, maakt hij een opgetogen dansje tussen de dozen...