. Het kan mee-, maar ook tegenzitten in het leven. De jonge Chris van Geel kwam er al vroeg achter dat zijn moeder niet erg op hem gesteld was – en hem misschien zelfs liever niet gehad had, vertelde hij in oktober 1972 tegen G. Brands. “De ontdekking dat zijn moeder hem blijkbaar toch niet zo’n gewenst creatuur vond, was een tegenslag”, noteerde Brands droogjes. Soms kunnen mensen over zo’n vroege teleurstelling heen groeien, maar dat is Van Geel nooit helemaal gelukt. Het had invloed op hoe hij daarna tegen het leven aankeek: het ontbreken van enige moederliefde “was een tegenslag, zoals volgens hem het hele bestaan een tegenslag is.” Toch maakte hij op Brands geen geknakte indruk. “Hij bezit een lakonieke humor, die aanstekelijk werkt op zijn bezoeker. En na een van zijn tekeningen in een kort tevoren ontvangen, zeer passend lijstje te hebben geraamd, maakt hij een opgetogen dansje tussen de dozen...
. Kun je van iemand zeggen dat hij of zij over “een feilloze smaak” beschikt? Eigenlijk niet – daarvoor is smaak nu eenmaal te subjectief. Toch gebruikt J.P. Guépin die typering als hij het heeft over de smaak die Chris van Geel en Thérèse Cornips ontwikkelden toen ze elkaar, in het najaar van 1952, hadden gevonden en waren gaan samenwonen in Van Geels atelierwoning in Groet. Zij beschikten allebei over “het volmaakte oog”, nog zo’n subjectieve typering, niet alleen “voor beeldende kunst en literatuur, maar ook voor de dingen”. Vanaf de komst van Cornips werd het huis geleidelijk ingericht “met de Victoriaanse of boerenspullen die bij de uitdrager Henke in Alkmaar of in boelhuizen gekocht werden.” Geld was er niet, dus er moest lang en goed gespeurd worden, en dan moest elk artikel ook nog eens voldoen aan de strenge eisen die de feilloze smaak nu eenmaal stelde. Het ging dan bijvoorbeeld om “een mangelbak met precies de juiste afschilfering”...