. Als het heeft gesneeuwd, en het vriest, dan blijft de sneeuw liggen. Als de vorst heel lang aanhoudt, gaat de sneeuwlaag krimpen. De sneeuw wordt hard en droog en korrelig. Dat is wat Chris van Geel gezien moet hebben, in en om zijn woonplaats Groet, in februari 1955: FEBR. ’55 Reeds weken ligt de sneeuw met opgetrokken lippen te krimpen in de wind, te drogen aan zijn dorst. Hij sterft niet aan de dooi, hij sterft aan de vorst. Er stuiven korrels van zijn huid om te gaan drinken. De sneeuw krijgt hier trekken van een dier, of van een mens. Het is een aangrijpend portret van een stervende, gestrand in de sneeuw en de vrieskou, niet meer in staat om zich te bewegen. Hij ligt er “met opgetrokken lippen”. Hij krimpt. Hij moet, totaal uitgedroogd, drinken, maar er is nie...
. Dit is een gedicht van Chris van Geel, uit zijn bundel Enkele gedichten (1973): Nacht in een theepot waar water blad, blad water koestert, een lichte damp de tuit verlaat. We zien een theepot waarin thee staat te trekken. In de theepot is het donker. Er heerst een zekere intimiteit: de theeblaadjes en het theewater koesteren elkaar. Na een tijdje komt er een klein stoomsliertje, “een lichte damp”, omhoog gedreven uit de tuit van de pot. Het gedicht bevindt zich in de bundel tussen gedichten die zich afspelen in een sfeer van nachtelijke wandelingen. Het is ook mogelijk dat het een verbeelding is van een natuurtafereel, gezien bij een sloot of vijver, met bomen of struiken ernaast. Het is er stil waarschijnlijk, de meeste die...