.
In Spinroc en andere verzen (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen weinig compacte, spreektalige stijl:
LENTE ’57
Voor wat het mooie weer verstoort,
het ritselen van dorre bladeren, de wind,
de grijze veren aan de horizon,
ben ik een stal met open deuren
om in te rijden, uit te rijden,
het nadenken een bergplaats.
Voor zon heb ik geen oog,
zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar
en speelt haar sluiers eindeloos.
Zij is misplaatst, verspild.
Ik kies de nacht, het distelblad,
een koepel voor gestorven
muziek,
een afdak voor verdriet,
een winter in het gras.
Van Geel spreekt zich hier uit over het weer van zijn voorkeur. Je zou op grond van de titel misschien verwachten dat de lente zijn favoriete seizoen is, maar dat is juist niet het geval. Hij houdt niet van wat men mooi weer noemt. Hij heeft juist een voorkeur “voor wat het mooie weer verstoort”, dus voor “het ritselen van dorre bladeren, de wind, / de grijze veren aan de horizon”. Zijn lievelingsseizoenen zijn de herfst, en de winter, ook omdat dan het nadenken het best tot zijn recht komt (omdat dan, zoals hij het zegt, bij hem “het nadenken een bergplaats” vindt).
In de lente gaat dat nadenken blijkbaar niet goed. En in de zomer nog minder. Van Geel heeft een hekel aan de zon. Op een voor zijn doen erg rechtstreekse manier vertelt hij wat de zon voor hem betekent. Hij weet zich geen raad met haar:
Voor zon heb ik geen oog,
zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar
en speelt haar sluiers eindeloos.
Zij is misplaatst, verspild.
Hij moet niets hebben van de zon, hij kiest voor “de nacht”. En in plaats van voor de uitbundig bloeiende bloesembloem, kiest hij voor het onopvallende, groen-grijzige “distelblad”. Hij houdt niet van luid gezang; in plaats daarvan wil hij “een koepel voor gestorven / muziek” zijn. Hij is niet de man van vreugde en jolijt; hij is op zoek naar “een afdak voor verdriet”. In de slotregel van dit zogenaamde lentegedicht zegt hij het nog een keer: hij is niet op zoek naar een lente in het groen, hij verlangt naar “een winter in het gras”.
Het staat er niet met zoveel woorden, maar uit de beelden (‘stal’, ‘bergplaats’, ‘koepel’, ‘afdak’) blijkt dat het najaar en de winter voor hem vooral verbonden zijn met een gevoel van beschutting en geborgenheid. Die zijn voor hem in de lente en de zomer blijkbaar niet te vinden.
Mogelijk speelt hier ook een autobiografisch aspect mee. De lente in de titel is al vreemd, voor een gedicht dat zich zo duidelijk van de lente afkeert. Bovendien heet het gedicht niet ‘Lente’, in het algemeen, maar ‘Lente ’57’. Zo’n expliciete datering in de titel wijst bij Van Geel meestal op een persoonlijke achtergrond.
Het gedicht maakt onderdeel uit van de afdeling ‘Spinroc’. Die afdeling is gewijd aan het wel en wee in de liefde tussen hem en Thérèse Cornips, de vrouw met wie hij sinds het najaar van 1952 zijn leven deelde. Spinroc is de omkering van de achternaam Cornips. De toevoeging van de datum in de titel is vermoedelijk een verwijzing naar de tijd, in 1957, toen Cornips hem, voor de tweede keer, verlaten had, opnieuw voor een lange tijd.
Zo ja, dan zegt Van Geel in dit gedicht niet zozeer dat hij heel in het algemeen niet zo’n liefhebber van “het mooie weer” is, maar dat hij dat vooral nú niet is, in deze eenzame lente, nu hij alleen de dagen moet zien door te komen. Het is bekend dat Van Geel zich dan al gauw hulpeloos en radeloos voelde. Zo ook hier: hij voelt zich onzeker en kwetsbaar en verlangt juist nu naar de bescherming die het stille, grijze seizoen van herfst en winter hem pleegt te bieden. Dan pas kan hij goed nadenken over wat hem nu in de liefde is overkomen. Dan pas kan hij een veilige bergplaats (stal, koepel, afdak) vinden voor zijn verdriet.
Zo ja, dan klinkt in de hatelijke regels over de zon vermoedelijk ook wel enige haat mee jegens de vrouw die hem nu in de lente heeft verlaten. “Voor zon heb ik geen oog”: voor haar heeft hij nu geen oog meer. “Zij laat mij koud.” Zij is voor hem “onhandelbaar” gebleken, en heeft hem met “haar sluiers eindeloos” misleid. “Zij is misplaatst, verspild.”
De venijnige toon doet denken aan het venijn dat ook doorklinkt in het lange gedicht ‘Portret’ uit dezelfde bundel en dezelfde afdeling. Daarin geeft Van Geel een portret van Thérèse Cornips als een dansende, zwierende, zingende, moeilijk te vangen verschijning. Zij wordt voorgesteld als een wervelwind, een wispelturige figuur, een gekooide vogel die niet binnen wil blijven zoals hijzelf, maar die voortdurend naar buiten wil: “De deurkier wacht met groen op haar, zij vlucht (…)”. Zij vlucht naar buiten, en vliegt de lucht in.
“Je moet je ook voorstellen dat ik toen, achter in de twintig, heel exuberant kon zijn”, vertelde Cornips later over deze tijd. “Hij helemaal niet: hij kon zijn armen niet om iemand heenslaan en diegene dan omknellen, zoals ik. De exuberantie van de gevoelens, de losbandigheid van de emotie, ook het omarmen van de hele wereld – ik was iemand die zingend over de veldweg liep. Voor hem was dat een nieuwe ervaring, die omgang met mij, en voor mij was dat omgekeerd ook wennen.”
De omgang met de negen jaar jongere, extraverte Cornips was lastig voor de veel stijvere Van Geel. Zij liep naar buiten, zij klom het klimduin op, zij wilde zwemmen in zee. Dat vond hij moeilijk, en dat lijkt ook door te klinken in de woorden waarmee hij de zon in het lentegedicht beschrijft: “zij klimt onhandelbaar”. Toen ze in de lente van 1957 vertrokken was, had hij genoeg van haar, net als van de zon: “Zij is misplaatst, verspild.”
• Thérèse Cornips en Chris van Geel, in 1957 gefotografeerd door Sanne Sannes.
In Spinroc en andere verzen (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen weinig compacte, spreektalige stijl:
LENTE ’57
Voor wat het mooie weer verstoort,
het ritselen van dorre bladeren, de wind,
de grijze veren aan de horizon,
ben ik een stal met open deuren
om in te rijden, uit te rijden,
het nadenken een bergplaats.
Voor zon heb ik geen oog,
zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar
en speelt haar sluiers eindeloos.
Zij is misplaatst, verspild.
Ik kies de nacht, het distelblad,
een koepel voor gestorven
muziek,
een afdak voor verdriet,
een winter in het gras.
Van Geel spreekt zich hier uit over het weer van zijn voorkeur. Je zou op grond van de titel misschien verwachten dat de lente zijn favoriete seizoen is, maar dat is juist niet het geval. Hij houdt niet van wat men mooi weer noemt. Hij heeft juist een voorkeur “voor wat het mooie weer verstoort”, dus voor “het ritselen van dorre bladeren, de wind, / de grijze veren aan de horizon”. Zijn lievelingsseizoenen zijn de herfst, en de winter, ook omdat dan het nadenken het best tot zijn recht komt (omdat dan, zoals hij het zegt, bij hem “het nadenken een bergplaats” vindt).
In de lente gaat dat nadenken blijkbaar niet goed. En in de zomer nog minder. Van Geel heeft een hekel aan de zon. Op een voor zijn doen erg rechtstreekse manier vertelt hij wat de zon voor hem betekent. Hij weet zich geen raad met haar:
Voor zon heb ik geen oog,
zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar
en speelt haar sluiers eindeloos.
Zij is misplaatst, verspild.
Hij moet niets hebben van de zon, hij kiest voor “de nacht”. En in plaats van voor de uitbundig bloeiende bloesembloem, kiest hij voor het onopvallende, groen-grijzige “distelblad”. Hij houdt niet van luid gezang; in plaats daarvan wil hij “een koepel voor gestorven / muziek” zijn. Hij is niet de man van vreugde en jolijt; hij is op zoek naar “een afdak voor verdriet”. In de slotregel van dit zogenaamde lentegedicht zegt hij het nog een keer: hij is niet op zoek naar een lente in het groen, hij verlangt naar “een winter in het gras”.
Het staat er niet met zoveel woorden, maar uit de beelden (‘stal’, ‘bergplaats’, ‘koepel’, ‘afdak’) blijkt dat het najaar en de winter voor hem vooral verbonden zijn met een gevoel van beschutting en geborgenheid. Die zijn voor hem in de lente en de zomer blijkbaar niet te vinden.
Mogelijk speelt hier ook een autobiografisch aspect mee. De lente in de titel is al vreemd, voor een gedicht dat zich zo duidelijk van de lente afkeert. Bovendien heet het gedicht niet ‘Lente’, in het algemeen, maar ‘Lente ’57’. Zo’n expliciete datering in de titel wijst bij Van Geel meestal op een persoonlijke achtergrond.
Het gedicht maakt onderdeel uit van de afdeling ‘Spinroc’. Die afdeling is gewijd aan het wel en wee in de liefde tussen hem en Thérèse Cornips, de vrouw met wie hij sinds het najaar van 1952 zijn leven deelde. Spinroc is de omkering van de achternaam Cornips. De toevoeging van de datum in de titel is vermoedelijk een verwijzing naar de tijd, in 1957, toen Cornips hem, voor de tweede keer, verlaten had, opnieuw voor een lange tijd.
Zo ja, dan zegt Van Geel in dit gedicht niet zozeer dat hij heel in het algemeen niet zo’n liefhebber van “het mooie weer” is, maar dat hij dat vooral nú niet is, in deze eenzame lente, nu hij alleen de dagen moet zien door te komen. Het is bekend dat Van Geel zich dan al gauw hulpeloos en radeloos voelde. Zo ook hier: hij voelt zich onzeker en kwetsbaar en verlangt juist nu naar de bescherming die het stille, grijze seizoen van herfst en winter hem pleegt te bieden. Dan pas kan hij goed nadenken over wat hem nu in de liefde is overkomen. Dan pas kan hij een veilige bergplaats (stal, koepel, afdak) vinden voor zijn verdriet.
Zo ja, dan klinkt in de hatelijke regels over de zon vermoedelijk ook wel enige haat mee jegens de vrouw die hem nu in de lente heeft verlaten. “Voor zon heb ik geen oog”: voor haar heeft hij nu geen oog meer. “Zij laat mij koud.” Zij is voor hem “onhandelbaar” gebleken, en heeft hem met “haar sluiers eindeloos” misleid. “Zij is misplaatst, verspild.”
De venijnige toon doet denken aan het venijn dat ook doorklinkt in het lange gedicht ‘Portret’ uit dezelfde bundel en dezelfde afdeling. Daarin geeft Van Geel een portret van Thérèse Cornips als een dansende, zwierende, zingende, moeilijk te vangen verschijning. Zij wordt voorgesteld als een wervelwind, een wispelturige figuur, een gekooide vogel die niet binnen wil blijven zoals hijzelf, maar die voortdurend naar buiten wil: “De deurkier wacht met groen op haar, zij vlucht (…)”. Zij vlucht naar buiten, en vliegt de lucht in.
“Je moet je ook voorstellen dat ik toen, achter in de twintig, heel exuberant kon zijn”, vertelde Cornips later over deze tijd. “Hij helemaal niet: hij kon zijn armen niet om iemand heenslaan en diegene dan omknellen, zoals ik. De exuberantie van de gevoelens, de losbandigheid van de emotie, ook het omarmen van de hele wereld – ik was iemand die zingend over de veldweg liep. Voor hem was dat een nieuwe ervaring, die omgang met mij, en voor mij was dat omgekeerd ook wennen.”
De omgang met de negen jaar jongere, extraverte Cornips was lastig voor de veel stijvere Van Geel. Zij liep naar buiten, zij klom het klimduin op, zij wilde zwemmen in zee. Dat vond hij moeilijk, en dat lijkt ook door te klinken in de woorden waarmee hij de zon in het lentegedicht beschrijft: “zij klimt onhandelbaar”. Toen ze in de lente van 1957 vertrokken was, had hij genoeg van haar, net als van de zon: “Zij is misplaatst, verspild.”
• Thérèse Cornips en Chris van Geel, in 1957 gefotografeerd door Sanne Sannes.

Reacties
Een reactie posten