.
In het Dierenalfabet van Chris van Geel vinden we onder de letter R één gedicht over een reiger, vier gedichten over een roodborst en één gedicht over een rups:
SPANRUPS
Een oog, een lus, een hoge rug,
een onaanzienlijk takje vlees
dat lopend op zijn tenen stokt.
Een reuzenrad in miniatuur,
een viadukt, een ereboog,
zo vordert hij op weg naar groen.
Als iemand uit het midden leeft
dan hij, hij heft zijn lichaam op,
zijn houten huid kan op zijn kop
en op zijn achterbenen staan,
hij boogt op stilstand en hij hoopt
voor lijnrecht door te kunnen gaan.
Een spanrups is een onooglijk beestje dat op een takje lijkt. Dat klinkt wat sneu, maar het is ook meteen zijn redding, want door deze camouflage valt hij niet of nauwelijks op voor zijn vijanden. Hij beweegt zich op een voor ons gevoel nogal omslachtige manier voort: door zich aan te spannen, zijn lijf bol te maken en weer uit te strekken – en zo verder.
Van Geel buigt zich in zijn portret van de spanrups aandachtig over het dier. Hij ziet “een oog, een lus, een hoge rug”, met een mooie ritmische afwisseling tussen de oo- en de u-klank.
Hij ziet “een onaanzienlijk takje vlees”. De rups kan vanwege zijn uiterlijk gemakkelijk versleten worden voor een takje, gemaakt van hout, dus het woord “vlees” meteen daarna is verrassend. De aanduiding “vlees” is sowieso verrassend als het gaat om het zachte weefsel waar een rups van gemaakt is. Noem je dat vlees?
Het onaanzienlijke takje stokt terwijl het op zijn tenen loopt. Met het samenspel van “lopen” en “stokken” is de hortende en stotende manier van voortbewegen van de spanrups mooi weergegeven. Let ook op het element “stok”, in “stokt”, waarmee weer even verwezen wordt naar het tak-achtige voorkomen van dit dier.
In het vervolg komt er een kleine beeldenvloed los, alsof er opeens iets ontremt in het gedicht, en de stokkende rups zowaar iets van snelheid krijgt. De rups leek al op een oog, een lus en een hoge rug, maar in opgespannen toestand nu ook op “een reuzenrad in miniatuur, / een viadukt, een ereboog”. Drie maal een door mensen gemaakt bouwwerk: het zijn weinig gebruikelijke beelden voor een verschijnsel uit de natuur.
Dit ristje van beelden, hoe kort ook, wekt de indruk van een stroomversnelling: alsof de dichter zich even liet gaan, de rede uitschakelde en de verbeelding de vrije loop liet. De beeldstapeling is van alle tijden, maar werd nieuw leven ingeblazen door de surrealisten, in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, met hun voorkeur voor “automatisch”, associatief schrijven. Van Geel voelde zich met hen verwant. Hij was in de jaren dertig een van de eerste surrealisten in Nederland. Het stapelen van beelden is op allerlei plekken in zijn werk terug te vinden, in zijn vroegste gedichten al, maar ook nog steeds in dit gedicht, een van zijn latere. Het dateert vermoedelijk uit 1972 of 1973.
De spanrups heeft een “houten huid”: opnieuw een verwijzing naar zijn verschijning die het midden houdt tussen een tak en een wormvormige larve. Door zijn middenstuk aan te spannen kan hij zich voortbewegen: op die manier is hij een dier dat “uit het midden leeft”. Intussen staat hij dan aan de ene kant op zijn kop, en aan de andere kant op zijn achterbenen.
Die formuleringen zijn hier letterlijk bedoeld, maar hebben in ons taalgebruik ook een figuurlijke betekenis: “op je kop gaan staan”, “op je achterste benen staan”. Het dier begint op een mens te lijken. Zie hem gespannen, met veel moeizame bewegingen, door het leven gaan. En hij verbeeldt zich daarbij ook nog wonder wat. “Hij boogt op stilstand”: hij denkt, in zijn gespannen houding, een toonbeeld van rust en standvastigheid te zijn. Let weer op de dubbele betekenis van “bogen”: in een boog staan, maar ook: trots zijn, prat gaan op. Nu maar hopen dat niemand ziet hoeveel moeite hem zijn hortende en stotende gang kost: “Hij hoopt / voor lijnrecht door te kunnen gaan.”
Je zou in dit gedicht al bijna, als in een ouderwets emblematisch gedicht met een tekst en een plaatje en een moraal, een levensles kunnen lezen: homo spanrups est.
(Bewerking van ‘Homo spanrups est’, in NRC Handelsblad, 18 april 2014)
In het Dierenalfabet van Chris van Geel vinden we onder de letter R één gedicht over een reiger, vier gedichten over een roodborst en één gedicht over een rups:
SPANRUPS
Een oog, een lus, een hoge rug,
een onaanzienlijk takje vlees
dat lopend op zijn tenen stokt.
Een reuzenrad in miniatuur,
een viadukt, een ereboog,
zo vordert hij op weg naar groen.
Als iemand uit het midden leeft
dan hij, hij heft zijn lichaam op,
zijn houten huid kan op zijn kop
en op zijn achterbenen staan,
hij boogt op stilstand en hij hoopt
voor lijnrecht door te kunnen gaan.
Een spanrups is een onooglijk beestje dat op een takje lijkt. Dat klinkt wat sneu, maar het is ook meteen zijn redding, want door deze camouflage valt hij niet of nauwelijks op voor zijn vijanden. Hij beweegt zich op een voor ons gevoel nogal omslachtige manier voort: door zich aan te spannen, zijn lijf bol te maken en weer uit te strekken – en zo verder.
Van Geel buigt zich in zijn portret van de spanrups aandachtig over het dier. Hij ziet “een oog, een lus, een hoge rug”, met een mooie ritmische afwisseling tussen de oo- en de u-klank.
Hij ziet “een onaanzienlijk takje vlees”. De rups kan vanwege zijn uiterlijk gemakkelijk versleten worden voor een takje, gemaakt van hout, dus het woord “vlees” meteen daarna is verrassend. De aanduiding “vlees” is sowieso verrassend als het gaat om het zachte weefsel waar een rups van gemaakt is. Noem je dat vlees?
Het onaanzienlijke takje stokt terwijl het op zijn tenen loopt. Met het samenspel van “lopen” en “stokken” is de hortende en stotende manier van voortbewegen van de spanrups mooi weergegeven. Let ook op het element “stok”, in “stokt”, waarmee weer even verwezen wordt naar het tak-achtige voorkomen van dit dier.
In het vervolg komt er een kleine beeldenvloed los, alsof er opeens iets ontremt in het gedicht, en de stokkende rups zowaar iets van snelheid krijgt. De rups leek al op een oog, een lus en een hoge rug, maar in opgespannen toestand nu ook op “een reuzenrad in miniatuur, / een viadukt, een ereboog”. Drie maal een door mensen gemaakt bouwwerk: het zijn weinig gebruikelijke beelden voor een verschijnsel uit de natuur.
Dit ristje van beelden, hoe kort ook, wekt de indruk van een stroomversnelling: alsof de dichter zich even liet gaan, de rede uitschakelde en de verbeelding de vrije loop liet. De beeldstapeling is van alle tijden, maar werd nieuw leven ingeblazen door de surrealisten, in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, met hun voorkeur voor “automatisch”, associatief schrijven. Van Geel voelde zich met hen verwant. Hij was in de jaren dertig een van de eerste surrealisten in Nederland. Het stapelen van beelden is op allerlei plekken in zijn werk terug te vinden, in zijn vroegste gedichten al, maar ook nog steeds in dit gedicht, een van zijn latere. Het dateert vermoedelijk uit 1972 of 1973.
De spanrups heeft een “houten huid”: opnieuw een verwijzing naar zijn verschijning die het midden houdt tussen een tak en een wormvormige larve. Door zijn middenstuk aan te spannen kan hij zich voortbewegen: op die manier is hij een dier dat “uit het midden leeft”. Intussen staat hij dan aan de ene kant op zijn kop, en aan de andere kant op zijn achterbenen.
Die formuleringen zijn hier letterlijk bedoeld, maar hebben in ons taalgebruik ook een figuurlijke betekenis: “op je kop gaan staan”, “op je achterste benen staan”. Het dier begint op een mens te lijken. Zie hem gespannen, met veel moeizame bewegingen, door het leven gaan. En hij verbeeldt zich daarbij ook nog wonder wat. “Hij boogt op stilstand”: hij denkt, in zijn gespannen houding, een toonbeeld van rust en standvastigheid te zijn. Let weer op de dubbele betekenis van “bogen”: in een boog staan, maar ook: trots zijn, prat gaan op. Nu maar hopen dat niemand ziet hoeveel moeite hem zijn hortende en stotende gang kost: “Hij hoopt / voor lijnrecht door te kunnen gaan.”
Je zou in dit gedicht al bijna, als in een ouderwets emblematisch gedicht met een tekst en een plaatje en een moraal, een levensles kunnen lezen: homo spanrups est.
(Bewerking van ‘Homo spanrups est’, in NRC Handelsblad, 18 april 2014)

Reacties
Een reactie posten