Doorgaan naar hoofdcontent

Het graf gaapt

.
“Hij vond me vaak vreselijk lui”, vertelde Elly de Waard over Chris van Geel, in een interview met Bibeb. De Waard leefde twaalf jaar met hem samen, van december 1962 tot aan zijn dood, in maart 1974. “Maar ik heb me altijd verdedigd. Ik zei dat ik een tijdlang stil zitten en nadenken nodig heb.” Daar had Van Geel geen tijd en geen geduld voor, merkte ze: “Hij had zelf dat calvinistische: ‘Geen tijd verspillen. Opschieten, het graf gaapt’, zei hij vaak.”
       Van Geel, geboren in 1917, was drieëntwintig jaar ouder dan De Waard. Hij had het gevoel in zijn jeugd veel tijd verdaan te hebben. In de oorlog, die begon toen hij tweeëntwintig was, had hij veel tijd verloren, net als zijn generatiegenoten. En hij was laat begonnen met het publiceren van gedichten. Zijn eerste bundel, Spinroc en andere verzen, verscheen pas toen hij veertig was. Het valt te begrijpen dat hij, toen hij dan eenmaal goed op gang gekomen was, het gevoel kreeg zich te moeten haasten.
       Maar ik denk niet dat hij alleen daarom de uitspraak over het gapende graf tot zijn dagelijkse aansporing had verheven. Ik denk dat ook de combinatie van het wijze toontje van de dominee en het volkse spreukkarakter hem moeten hebben aangesproken. Van Geel had veel belangstelling voor wat ik nu maar even de volksmond noem: voor dialecten, rare zegswijzen, alledaags geleuter, kinderliedjes, het Bargoens – ook en vooral vanwege de verborgen, door de spreker niet of niet meer besefte betekenissen die erin sluimeren.
       Bij het uitspreken van “het graf gaapt” moet hij plezier hebben gehad in de tweede betekenis van gapen. “Het graf gaapt” betekent niet alleen “het graf ligt wijd geopend” , maar ook “het graf geeuwt” . Het graf krijgt daardoor menselijke trekken: het gaapt van vermoeidheid, of verveling. Het lijkt te willen zeggen: komen jullie nog? En vervolgens lijkt de aansporing van Van Geel ingegeven te zijn door beleefdheid: kom, we mogen niet te laat komen, we kunnen hem niet langer op ons laten wachten.

Dezelfde vermenging van sterfelijkheid en alledaagsheid spreekt uit dit korte, ongepubliceerd gebleven gedicht uit 1969 of 1970:

KERKHOF

Een zucht gaat over alle graven
elkaar nooit weer te hoeven zien.

Hier is het niet het graf dat gaapt, maar zijn wij het. Het leven wordt hier gezien als een korte, tijdelijke verplichting: een vervelende avond of een vermoeiend feestje in familiekring. Maar hoe beroerd de avond of het feestje ook was, na afloop wacht ons gelukkig de opluchting dat we elkaar voorlopig niet meer hoeven te zien. Op het kerkhof heerst tevredenheid over het feit dat alles achter de rug is. We gapen, we slaken een zucht van opluchting – de laatste adem.

Vermoedelijk speelde er ook nog iets anders mee. Van Geel hield zich in Amsterdam en in Groet op in de kringen van Rob van Amerongen, Karel van het Reve, Jan Erik Romein en nog wel meer mensen die voorkomen in De avonden (1947) van Gerard van het Reve. Daaruit werd vaak en veel geciteerd. Als Van Geel zichzelf en Elly de Waard tot spoed maande, klonk in zijn oudemannenmotto vast ook de wijsheid mee van Frits van Egters, de jonge hoofdpersoon uit De avonden, die meer dan eens verzucht: “Het graf gaapt, de tijd zoemt, en nergens is redding.”


(Bewerking van een fragment uit ‘Een hart van hout’, in Tirade 325, november-december 1989)


• Still uit de speelfilm De avonden, met Rijk de Gooyer als vader Van Egters en Thom Hoffman als Frits van Egters.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Lente

. In  Spinroc en andere verzen  (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen weinig compacte, spreektalige stijl:        LENTE ’57        Voor wat het mooie weer verstoort,        het ritselen van dorre bladeren, de wind,        de grijze veren aan de horizon,        ben ik een stal met open deuren        om in te rijden, uit te rijden,        het nadenken een bergplaats.        Voor zon heb ik geen oog,        zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar        en speelt haar sluiers eindeloos.   ...

Krispijn

. De dichter Chr.J. van Geel was al 41 jaar oud toen hij, in 1958, debuteerde, met een dikke bundel: Spinroc en andere verzen , 148 pagina’s. In de jaren daarvoor had hij al veel gedichten geschreven, maar zonder daarvan iets te publiceren. Van Geel was erg kritisch op zichzelf, en onzeker – wat in dit geval vermoedelijk wel hetzelfde is. Hij kon erg goed twijfelen.        Zijn vriend Enno Endt en zijn levensgezel Thérèse Cornips stelden in 1955 daarom, zonder dat hij het wist, een strenge bloemlezing samen uit alle gedichten die zij op dat moment voorgelegd hadden gekregen: 78 gedichten die zij goed genoeg vonden voor publicatie en waarvan zij dachten dat Van Geel dat eigenlijk ook wel vond. Enno Endt schreef ze allemaal met de hand over in twee schoolschriften. De titel voor deze stiekem uitgekozen gedichten was Roofdruk , de vakterm voor een uitgave waarvan de auteur geen weet heeft. Ze legden de twee schriften voor aan enkele uitgevers, maar het k...

Gandhi

. In zijn column van afgelopen maandag op de opiniepagina van NRC haalde Stephan Sanders een gesprekje aan tussen een journalist en Mahatma Gandhi (1869-1948). Gandhi was, kort gezegd, de man die Brits-Indië voorging in de geweldloze bevrijding van de koloniale bezetter. In 1947 werd India onafhankelijk. Gandhi had zo zijn gedachten over de cultuur van de westerlingen, zoals blijkt uit dit korte gesprek:        – En wat denkt u van de westerse beschaving?        – Ik denk dat het een goed idee zou zijn. De kenner van het werk van Chr.J. van Geel zal dit citaat bekend voorkomen. In januari 1968 nam Barbarber deze tekst van hem op:        INTERVIEW MET GANDI        – Wat denkt u van de europese kultuur?        – Een goed idee. Van Geel zal het ergens in een krant of tijdschrift zijn tegengekomen en hij z...