.
Chris van Geel schreef allerlei soorten gedichten, maar in de loop van zijn dichterschap namen ze steeds vaker deze vorm aan: een portret, meestal van iets uit de natuur, scherp gezien, strak geformuleerd, kort tot heel kort. Voor de lange baan was Van Geel duidelijk niet geschikt. In die korte gedichten diende hij niet een kant en klare waarheid op, maar meestal een beeld, of een uitzicht, waar hij zelf ook als een buitenstaander naar kon kijken. Hij dichtte niet om zich uit te drukken, maar om zichzelf terug te vinden in wat hij zag. Via het kijken kwam hij zijn eigen gevoelens en inzichten op het spoor – zo werkte het ongeveer.
In zulke portretten zit vaak de nodige deernis en droefenis, bij het zien van dieren in de verdrukking, benauwde struiken, een gevelde boom. Neem deze in een web gevangen vlieg:
VLIEG
Een web, hij trekt de draad
als deken om zich heen
en slaapt het rag vol dauw,
gevangen edelsteen.
Hij zweet, hij smeedt zijn huis
vol diamanten om
tot puin dat aan hem hangt
zolang hij vliegt in droom.
Het is een op het eerste gezicht lieflijk en vredig tafereel: een vlieg ziet een spinnenweb en besluit om die plek uit te kiezen als een slaapplaats voor de komende nacht. Hij trekt de draad van het web “als deken om zich heen”, en valt lekker in slaap. De volgende morgen heeft het rag (het web, het spinrag) zich gevuld met dauwdruppels. Ze glinsteren in het licht van de opkomende zon, en lijken daarom op flonkerende edelstenen, net als de vlieg zelf. Hij is door de draden van het web ingewikkeld en gevangen, en hangt nu in het morgenlicht te schitteren.
De dauwdruppels zullen zich ook aan de vlieg gebben gehecht, zodat het lijkt alsof hij zweet. Alles wijst erop dat de gevangen vlieg nog slaapt, en dat hij droomt in zijn slaap, en dat hij droomt dat hij vliegt. Dat is wat een vlieg doet, en waar hij ook zijn naam aan te danken heeft: vliegen. Zolang hij vliegt is hij nog in leven en is hij vrij.
Maar die zweetdruppels kunnen ook op iets anders wijzen: angstzweet, veroorzaakt door een angstdroom. In die droom ziet de vlieg zijn knusse slaapplaats, zijn “huis vol diamanten”, al instorten en in gruis veranderen. Hij weet het nog niet, maar wij wel, en de spin van dienst ook: straks zal hij ontwaken uit zijn droom en zien waar hij werkelijk in is beland – in een web, oog in oog met zijn beul. Zijn droomhuis blijkt een dodencel.
Je kunt van alles lezen in zo’n gedicht: we leven in een droom om de waarheid maar niet onder ogen te hoeven zien. En als de nood hoger wordt, zullen we nog harder moeten dromen. Maar ook: het leven wordt boeiender naarmate er meer op het spel staat. De ten dode opgeschreven vlieg wordt vergeleken met een edelsteen, zijn glinsterende angstzweetdruppels met diamanten. Die combinatie van dreiging en schoonheid vinden we vaker bij Van Geel. “Het mooiste leeft in doodsgevaar.”
(Bewerking van een fragment uit ‘Homo spanrups est’, in NRC Handelsblad, 18 april 2014)
• Illustratie door ChatGPT
Chris van Geel schreef allerlei soorten gedichten, maar in de loop van zijn dichterschap namen ze steeds vaker deze vorm aan: een portret, meestal van iets uit de natuur, scherp gezien, strak geformuleerd, kort tot heel kort. Voor de lange baan was Van Geel duidelijk niet geschikt. In die korte gedichten diende hij niet een kant en klare waarheid op, maar meestal een beeld, of een uitzicht, waar hij zelf ook als een buitenstaander naar kon kijken. Hij dichtte niet om zich uit te drukken, maar om zichzelf terug te vinden in wat hij zag. Via het kijken kwam hij zijn eigen gevoelens en inzichten op het spoor – zo werkte het ongeveer.
In zulke portretten zit vaak de nodige deernis en droefenis, bij het zien van dieren in de verdrukking, benauwde struiken, een gevelde boom. Neem deze in een web gevangen vlieg:
VLIEG
Een web, hij trekt de draad
als deken om zich heen
en slaapt het rag vol dauw,
gevangen edelsteen.
Hij zweet, hij smeedt zijn huis
vol diamanten om
tot puin dat aan hem hangt
zolang hij vliegt in droom.
Het is een op het eerste gezicht lieflijk en vredig tafereel: een vlieg ziet een spinnenweb en besluit om die plek uit te kiezen als een slaapplaats voor de komende nacht. Hij trekt de draad van het web “als deken om zich heen”, en valt lekker in slaap. De volgende morgen heeft het rag (het web, het spinrag) zich gevuld met dauwdruppels. Ze glinsteren in het licht van de opkomende zon, en lijken daarom op flonkerende edelstenen, net als de vlieg zelf. Hij is door de draden van het web ingewikkeld en gevangen, en hangt nu in het morgenlicht te schitteren.
De dauwdruppels zullen zich ook aan de vlieg gebben gehecht, zodat het lijkt alsof hij zweet. Alles wijst erop dat de gevangen vlieg nog slaapt, en dat hij droomt in zijn slaap, en dat hij droomt dat hij vliegt. Dat is wat een vlieg doet, en waar hij ook zijn naam aan te danken heeft: vliegen. Zolang hij vliegt is hij nog in leven en is hij vrij.
Maar die zweetdruppels kunnen ook op iets anders wijzen: angstzweet, veroorzaakt door een angstdroom. In die droom ziet de vlieg zijn knusse slaapplaats, zijn “huis vol diamanten”, al instorten en in gruis veranderen. Hij weet het nog niet, maar wij wel, en de spin van dienst ook: straks zal hij ontwaken uit zijn droom en zien waar hij werkelijk in is beland – in een web, oog in oog met zijn beul. Zijn droomhuis blijkt een dodencel.
Je kunt van alles lezen in zo’n gedicht: we leven in een droom om de waarheid maar niet onder ogen te hoeven zien. En als de nood hoger wordt, zullen we nog harder moeten dromen. Maar ook: het leven wordt boeiender naarmate er meer op het spel staat. De ten dode opgeschreven vlieg wordt vergeleken met een edelsteen, zijn glinsterende angstzweetdruppels met diamanten. Die combinatie van dreiging en schoonheid vinden we vaker bij Van Geel. “Het mooiste leeft in doodsgevaar.”
(Bewerking van een fragment uit ‘Homo spanrups est’, in NRC Handelsblad, 18 april 2014)
• Illustratie door ChatGPT

Reacties
Een reactie posten