.
Dit is een kort gedicht van Chris van Geel, uit zijn debuutbundel Spinroc en andere verzen (1958):
Er gaat een bries over de sloot
die sneller dan de rimpels is.
Het schrikdraad tikt.
Het is het enige seizoen
waarin ’t niet elders beter is.
Het is een eenvoudig verslag van een eenvoudige korte sensatie van tevredenheid, misschien wel van geluk. Dat gevoel zal zich, gezien die sloot en het schrikdraad, vermoedelijk hebben aangediend in de polder met weilanden, dicht bij Groet, tussen de duinen (zeezijde) en het Noord-Hollands Kanaal (landinwaarts). Daar liep Van Geel vaak en graag, meestal ’s nachts, in de enorme uitgestrektheid van het vlakke lage land onder een hoge hemelkoepel.
Wat zie en hoor je dan? Niet zo veel, en niet zo veel bijzonders. Maar alles was veel en alles was bijzonder voor een dichter als Van Geel, met zijn oog en oor voor details. Hij zag een vleug wind over het water van de sloot trekken en rimpels veroorzaken, en het bijzondere verschijnsel dat zo’n bries sneller lijkt te gaan dan de rimpels die erachteraan komen. Hij hoorde het regelmatige tikken van de schrikdraad, en hij zal hebben gemerkt dat daarvan een kalmerende werking uitging in de verder stille nacht. Verrassend wel, die tegenstelling tussen de schrik die de schrik-draad teweeg moet brengen en de rust die er van het regelmatige getik uitgaat.
Verrassend is ook de titel: ‘Op een najaarsnacht’. Dat betekent dat het seizoen in de vierde regel de herfst is. De herfst is het enige jaargetijde waarin Van Geel het gevoel kon hebben dat hij op zijn plek was, dat hij kon samenvallen met en opgaan in zijn omgeving: het enige seizoen waarin het “niet elders beter” was.
Dat Van Geel een voorkeur had voor de herfst en de winter wisten we al. Zie bijvoorbeeld het gedicht ‘Lente ’57’, waarin hij onomwonden zegt dat hij niet houdt van het voorjaar, maar nu juist van “wat het mooie weer verstoort”. Zijn vriend, en meelezer, J.P. Guépin noemde hem zelfs met zoveel woorden “een vriend van lelijk weer”. Dat deed hij in zijn bespreking van Spinroc (in Propria Cures in 1960). In een later artikel over Van Geel kwam hij daarop terug. Hij citeerde zijn eigen karakteristiek, maar nu met hoofdletters, alsof het een eretitel was: ‘Vriend van Lelijk Weer’. En hij voegde er deze uitleg aan toe:
“Vergelijking met andere gedichten laat (…) zien dat de dichter meer dan eens zijn voorkeur uitspreekt voor herfst en winter, waardoor een systeem van tegenstellingen geconstrueerd kan worden, waarin tegenover de zwoele overvolle zomer, het bedreigend uitbotten van het voorjaar, de helderheid van herfst of winter geprezen wordt. Een dergelijk vaststellen van een thematiek komt dicht in de buurt van een portret van de dichter: zijn bundels lijken een dichterlijke autobiografie.”
Als je zoiets weet, dan is de bewering aan het slot van ‘Op een najaarsnacht’ niet zo verrassend meer. “De associatie van najaarsnacht en tevredenheid is begrijpelijker geworden”, zegt Guépin.
Tegenover het tevreden herfstgedicht uit de bundel Spinroc (1958) plaatst Guépin een agressief lentegedicht uit de bundel Het zinrijk (1971):
VOORJAAR
De varens steken vuisten op,
op springen staat de tuin,
vlier schiet zijn mergpijp uit,
het groene kwaad verschijnt,
de rozen zijn gestrikt.
Wat edel is heeft duur,
geen kwinkslag heeft geheugen.
De woordkeus in de eerste vijf regels laat er geen misverstand over bestaan. De groene bolvormen waarin de bladeren van de varens liggen opgerold voordat ze zich gaan ontplooien worden vergeleken met “vuisten” – klaar voor het gevecht. De tuin komt niet mooi in bloei te staan, maar “staat op springen” – uitdrukking van ongeduld of woede. Ook de vlier staat op springen: hij heeft grote haast, hij “schiet zijn mergpijp [zijn met merg gevulde stengel] uit”. De rozen zijn “gestrikt”, opgebonden, en dat is maar goed ook, want anders zouden ze net zo te keer gaan als de rest van die opgewonden, driftige voorjaarstuin.
Bijna iedereen vindt het mooi als in de lente de bladeren terugkeren aan de bomen en struiken en planten, en alles weer tot bloei komt, maar Van Geel, onze Vriend van Lelijk Weer, beleefde dat heel anders. Hij zag al dat frisse groen als iets kwaads en kwalijks, en de lente als het nare seizoen waarin dat “groene kwaad” weer uit zijn schuilplaats tevoorschijn komt.
Voor hem stond de opgeleefde, bloesemende, uit zijn voegen barstende natuur gelijk aan oppervlakkigheid en vluchtigheid. De lente was voor hem het seizoen van de kwinkslag, dat is het “snaaks of geestig gezegde” (Van Dale), de grap, de witz – met als bijgedachte: geen inhoud, vluchtig, geen betekenis op de langere termijn. “Geen kwinkslag heeft geheugen” kun je op twee manieren lezen. Een kwinkslag is maar een leeg, hersenloos, vluchtig iets. Of: een kwinkslag blijft niet lang in het geheugen hangen, gaat niet lang mee.
Alles wat er werkelijk toe doet is niet zo vluchtig als dat groene kwaad dat zich elk voorjaar weer tijdelijk aandient. Tegenover ‘kwaad’ staat hier ‘edel’. Alles wat edel is, gaat niet snel voorbij, maar “heeft duur”.
Van Geel was in zijn poëzie, en in zijn brieven, en in het dagelijks leven, vaak genoeg geestig en grappig en speels, op het frivole af. Maar hij had daarnaast ook een andere, ernstige kant, en die moest van tijd tot tijd ook duidelijk naar voren komen – vooral in het voorjaar, met al zijn lichtzinnigheden, en de zomer, met al zijn opdringerigheid.
Elly de Waard beschreef het samenleven met Van Geel in Groet als “een geïsoleerd en intiem bestaan, dat gericht was op het maken van poëzie.” Dat ging vooral goed in de herfst en de winter, maar minder in de rest van het jaar:
“’s Zomers werd het isolement doorbroken doordat het zomerhuis werd verhuurd, meest aan vrienden of kennissen, of doordat vrienden zomaar eens op bezoek kwamen. Gebeurtenissen waar hij altijd gemengde gevoelens over had. Aan de ene kant vond hij het leuk, aan de andere kant bracht bezoek hem in de war en vond hij dat het hem van zijn werk afhield. En zo was de zomer hem in vele opzichten een doorn in het oog. ‘Het groene kwaad verschijnt,’ heette het, als in het voorjaar de bomen uit dreigden te lopen. En zonneschijn leidde in zijn optiek alleen maar tot ledigheid en lawaai.”
• V.l.n.r.: Chr.J. van Geel, mevrouw Do van Letten van Rossen (op de rug gezien), Jan Pieter Guépin en Thérèse Cornips (foto Ton van Letten van Rossen).
Dit is een kort gedicht van Chris van Geel, uit zijn debuutbundel Spinroc en andere verzen (1958):
Er gaat een bries over de sloot
die sneller dan de rimpels is.
Het schrikdraad tikt.
Het is het enige seizoen
waarin ’t niet elders beter is.
Het is een eenvoudig verslag van een eenvoudige korte sensatie van tevredenheid, misschien wel van geluk. Dat gevoel zal zich, gezien die sloot en het schrikdraad, vermoedelijk hebben aangediend in de polder met weilanden, dicht bij Groet, tussen de duinen (zeezijde) en het Noord-Hollands Kanaal (landinwaarts). Daar liep Van Geel vaak en graag, meestal ’s nachts, in de enorme uitgestrektheid van het vlakke lage land onder een hoge hemelkoepel.
Wat zie en hoor je dan? Niet zo veel, en niet zo veel bijzonders. Maar alles was veel en alles was bijzonder voor een dichter als Van Geel, met zijn oog en oor voor details. Hij zag een vleug wind over het water van de sloot trekken en rimpels veroorzaken, en het bijzondere verschijnsel dat zo’n bries sneller lijkt te gaan dan de rimpels die erachteraan komen. Hij hoorde het regelmatige tikken van de schrikdraad, en hij zal hebben gemerkt dat daarvan een kalmerende werking uitging in de verder stille nacht. Verrassend wel, die tegenstelling tussen de schrik die de schrik-draad teweeg moet brengen en de rust die er van het regelmatige getik uitgaat.
Verrassend is ook de titel: ‘Op een najaarsnacht’. Dat betekent dat het seizoen in de vierde regel de herfst is. De herfst is het enige jaargetijde waarin Van Geel het gevoel kon hebben dat hij op zijn plek was, dat hij kon samenvallen met en opgaan in zijn omgeving: het enige seizoen waarin het “niet elders beter” was.
Dat Van Geel een voorkeur had voor de herfst en de winter wisten we al. Zie bijvoorbeeld het gedicht ‘Lente ’57’, waarin hij onomwonden zegt dat hij niet houdt van het voorjaar, maar nu juist van “wat het mooie weer verstoort”. Zijn vriend, en meelezer, J.P. Guépin noemde hem zelfs met zoveel woorden “een vriend van lelijk weer”. Dat deed hij in zijn bespreking van Spinroc (in Propria Cures in 1960). In een later artikel over Van Geel kwam hij daarop terug. Hij citeerde zijn eigen karakteristiek, maar nu met hoofdletters, alsof het een eretitel was: ‘Vriend van Lelijk Weer’. En hij voegde er deze uitleg aan toe:
“Vergelijking met andere gedichten laat (…) zien dat de dichter meer dan eens zijn voorkeur uitspreekt voor herfst en winter, waardoor een systeem van tegenstellingen geconstrueerd kan worden, waarin tegenover de zwoele overvolle zomer, het bedreigend uitbotten van het voorjaar, de helderheid van herfst of winter geprezen wordt. Een dergelijk vaststellen van een thematiek komt dicht in de buurt van een portret van de dichter: zijn bundels lijken een dichterlijke autobiografie.”
Als je zoiets weet, dan is de bewering aan het slot van ‘Op een najaarsnacht’ niet zo verrassend meer. “De associatie van najaarsnacht en tevredenheid is begrijpelijker geworden”, zegt Guépin.
Tegenover het tevreden herfstgedicht uit de bundel Spinroc (1958) plaatst Guépin een agressief lentegedicht uit de bundel Het zinrijk (1971):
VOORJAAR
De varens steken vuisten op,
op springen staat de tuin,
vlier schiet zijn mergpijp uit,
het groene kwaad verschijnt,
de rozen zijn gestrikt.
Wat edel is heeft duur,
geen kwinkslag heeft geheugen.
De woordkeus in de eerste vijf regels laat er geen misverstand over bestaan. De groene bolvormen waarin de bladeren van de varens liggen opgerold voordat ze zich gaan ontplooien worden vergeleken met “vuisten” – klaar voor het gevecht. De tuin komt niet mooi in bloei te staan, maar “staat op springen” – uitdrukking van ongeduld of woede. Ook de vlier staat op springen: hij heeft grote haast, hij “schiet zijn mergpijp [zijn met merg gevulde stengel] uit”. De rozen zijn “gestrikt”, opgebonden, en dat is maar goed ook, want anders zouden ze net zo te keer gaan als de rest van die opgewonden, driftige voorjaarstuin.
Bijna iedereen vindt het mooi als in de lente de bladeren terugkeren aan de bomen en struiken en planten, en alles weer tot bloei komt, maar Van Geel, onze Vriend van Lelijk Weer, beleefde dat heel anders. Hij zag al dat frisse groen als iets kwaads en kwalijks, en de lente als het nare seizoen waarin dat “groene kwaad” weer uit zijn schuilplaats tevoorschijn komt.
Voor hem stond de opgeleefde, bloesemende, uit zijn voegen barstende natuur gelijk aan oppervlakkigheid en vluchtigheid. De lente was voor hem het seizoen van de kwinkslag, dat is het “snaaks of geestig gezegde” (Van Dale), de grap, de witz – met als bijgedachte: geen inhoud, vluchtig, geen betekenis op de langere termijn. “Geen kwinkslag heeft geheugen” kun je op twee manieren lezen. Een kwinkslag is maar een leeg, hersenloos, vluchtig iets. Of: een kwinkslag blijft niet lang in het geheugen hangen, gaat niet lang mee.
Alles wat er werkelijk toe doet is niet zo vluchtig als dat groene kwaad dat zich elk voorjaar weer tijdelijk aandient. Tegenover ‘kwaad’ staat hier ‘edel’. Alles wat edel is, gaat niet snel voorbij, maar “heeft duur”.
Van Geel was in zijn poëzie, en in zijn brieven, en in het dagelijks leven, vaak genoeg geestig en grappig en speels, op het frivole af. Maar hij had daarnaast ook een andere, ernstige kant, en die moest van tijd tot tijd ook duidelijk naar voren komen – vooral in het voorjaar, met al zijn lichtzinnigheden, en de zomer, met al zijn opdringerigheid.
Elly de Waard beschreef het samenleven met Van Geel in Groet als “een geïsoleerd en intiem bestaan, dat gericht was op het maken van poëzie.” Dat ging vooral goed in de herfst en de winter, maar minder in de rest van het jaar:
“’s Zomers werd het isolement doorbroken doordat het zomerhuis werd verhuurd, meest aan vrienden of kennissen, of doordat vrienden zomaar eens op bezoek kwamen. Gebeurtenissen waar hij altijd gemengde gevoelens over had. Aan de ene kant vond hij het leuk, aan de andere kant bracht bezoek hem in de war en vond hij dat het hem van zijn werk afhield. En zo was de zomer hem in vele opzichten een doorn in het oog. ‘Het groene kwaad verschijnt,’ heette het, als in het voorjaar de bomen uit dreigden te lopen. En zonneschijn leidde in zijn optiek alleen maar tot ledigheid en lawaai.”
• V.l.n.r.: Chr.J. van Geel, mevrouw Do van Letten van Rossen (op de rug gezien), Jan Pieter Guépin en Thérèse Cornips (foto Ton van Letten van Rossen).

Reacties
Een reactie posten