.
In ‘De Schatkamer’ van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid bevindt zich tot nu toe één audiofragment van Chris van Geel, zoals eerder al gemeld, in het lemma ‘Stip-t’, in dit Van Geel Alfabet. Het fragment begint met de voordracht, door de dichter zelf, van vierenveertig van zijn gedichten. Daarna volgen twee heel korte fragmenten uit, zo te horen, twee verschillende interviews. Ook hierbij ontbreekt, net als bij de gedichten, een beschrijving van de herkomst. Er wordt geen datering en geen programmatitel gegeven, en ook de naam van de interviewer(s) is niet bekend.
Een van die twee interviewfragmenten begint plompverloren met een interviewer die een vraag stelt. Uit de formulering valt op te maken dat er al een gesprek aan vooraf is gegaan, en dat deze vraag wel de laatste zal zijn: “Chris, ik geloof dat het beste is om de zaken wat open te gooien en je tot slot te vragen om te vertellen wat nu eigenlijk je relatie is tot de poëzie, wat poëzie nu eigenlijk voor jezelf betekent, in je leven betekent.”
Het is een veelomvattende vraag, en het valt wel te begrijpen dat Van Geel er maar gedeeltelijk op kan antwoorden. Hij doet dat heel bedachtzaam: “Daarop antwoorden, dat zou een lang verhaal worden.” Maar hij wil wel iets zeggen over wat hem nu te binnen schiet, over “een aspect” van zijn verhouding tot de poëzie: “Ik las namelijk van een psychiater die op een psychoanalytisch congres in Wenen de stelling had willen poneren dat kunst onécht zou zijn, aanstellerij.” Daar kan hij het absoluut niet mee eens zijn. Kunst is helemaal niet onecht, in zijn ogen: “(…) het is compensátie voor het méér dan echte – voor gebrek, en als gebrek gevoelde defecten. Men moet zich immers naar boven herstellen, zover als men naar beneden vernederd is.”
Dat is zijn eerste antwoord, min of meer uit de losse pols. Hij laat er een tweede antwoord op volgen, niet ontleend aan de theorie, maar nu uit zijn eigen praktijk, ook min of meer uit de losse pols: “En het tweede voorbeeld vind ik hier, al bladerend in mijn gedichten, waar ik als het ware het symbool vind van wat ik daarnet zei.” En daarna leest hij zijn gedicht ‘Duif in het nauw’ voor:
DUIF IN HET NAUW
Een duif die tussen bomen
een kleine plek uitkiest
tolt dralend om zijn as
en komt spiralend neer.
De charme van zijn dalen stijgt
als hij gebrek aan ruimte heeft.”
Daarna eindigt het interviewfragment.
‘Duif in het nauw’ is voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Soma, in november-december 1972. Op grond daarvan is het aannemelijk dat het interviewfragment dateert uit de maanden daarvoor, toen het gedicht al wel geschreven was, maar nog niet gepubliceerd.
Het is een betrekkelijk eenvoudig gedicht. Zonder eindrijm, maar wel met hier en daar wat terloops, midden in de regels aangebracht rijm. Kijk naar de korte om-klank in ‘om’ en ‘komt’ (in regel 3 en 4). Kijk ook naar de lange ij-klank in ‘stijgt’ en ‘hij’ (in regel 5 en 6). Het woord ‘gebrek’ in de slotregel rijmt op ‘plek’ in de tweede regel, waardoor het geheel (althans in de klank) bij elkaar wordt gehouden. Hetzelfde geldt voor de ui-klank in ‘duif’ en ‘ruimte’ in de begin- en de slotregel. Het meest opvallend in dit gedicht is de nadruk op de drie lange a’s in ‘dralend’, ‘spiralend’ en ‘dalen’. Met wat goede wil kun je zeggen dat het gedicht door die losjes over de regels verspreide rijmklanken zelf ook een licht spiralende vorm krijgt, die overeenkomt met de spiralende daalbeweging van de duif die hier beschreven wordt.
De bewering van het gedicht zal duidelijk zijn. De duif die een kleine landingsplek tussen de bomen heeft uitgekozen moet veel moeite doen om daar terecht te komen. Hij moet eerst een tijdje aarzelen en twijfelen en zoeken (“dralen om zijn as”) en daarna wat ingewikkelde vlieg- en fladderbewegingen maken (“spiralen”) voordat hij zijn doel kan bereiken. Maar hoe lastiger de landingslocatie, hoe mooier nu juist zijn pogingen worden om die locatie te bereiken. Dat staat in de beknopte formulering waarmee het gedicht besluit, met een aardige (je zou haast zeggen: charmante) opeenvolging van de tegenstrijdige begrippen ‘dalen’ en ‘stijgen’: “De charme van zijn dalen stijgt / als hij gebrek aan ruimte heeft.”
De duif maakt het zichzelf moeilijk als hij wil landen op die ene lastig te bereiken plek. Dat is in zekere zin zijn gebrek. Maar hoe meer moeite hij moet doen om zijn gebrek te compenseren, hoe mooier het is als het hem lukt. Daarmee sluit zijn landingspoging aan bij de bewering van Van Geel over de functie van kunst. De kunst (de kunst van de moeilijke landing) is niet onecht, en geen aanstellerij, zoals die psychiater op het Weense psychiaterscongres wilde beweren. Het is juist het tegenovergestelde: het is een poging om een gebrek te compenseren, om er iets moois van te maken.
Hoe moeilijker een probleem is, hoe mooier de oplossing ervan – dat is zo ongeveer het aforisme waarmee dit gedicht besluit. Het is geen nieuw inzicht. Denk aan de bekende regel van Goethe, uit zijn sonnet ‘Natur und Kunst’: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.” Zoiets zegt Van Geel hier ook, in de slotregels: juist in het nauw toont zich de schoonheid. Vergelijk ook de ervaring van veel dichters dat de verplichting om een rijmschema te volgen (‘rijmdwang’) nu juist kan leiden tot rijmvóndsten. Of denk aan een wijsheid van Van Geel zelf, vaak door hem geciteerd: “Armoede maakt creatief”.
Van Geels verdediging van kunst als compensatie voor een gebrek klinkt cultureel en intellectueel verantwoord, zeker als ze zo bedachtzaam geformuleerd wordt als in dit interviewfragment, of zo elegant als aan het slot van ‘Duif in het nauw’. Maar zo fijn cultureel is het in werkelijkheid natuurlijk niet. Niemand is echt blij met zijn “gebrek” of met zijn “als gebrek gevoelde defecten”.
In de formulering “Men moet zich immers naar boven herstellen, zover als men naar beneden vernederd is” valt het woord “vernederd” op. Van Geel voelde zich in allerlei opzichten mislukt – door zijn afkomst, zijn ouders, zijn gebrek aan opleiding, zijn isolement, zijn armoede, zijn gebrek aan succes als vader, als beeldend kunstenaar, en lange tijd ook als dichter. Zijn gevoel van mislukking werd pas in 1958 enigszins getemperd, met de publicatie, op veertigjarige leeftijd, van zijn lijvige debuutbundel Spinroc en andere verzen, in de vignettenreeks van de prestigieuze uitgeverij G.A. van Oorschot.
Maar de ervaring van afwijzing, nederlaag, minderwaardigheid zat diep. Van Geel wist dat veel van zijn wraak- en woedegevoelens daarin geworteld waren. Hij was sterk beïnvloed door de leer van Freud, en hij was gewend psychoanalytisch te denken, ook en vooral over zichzelf. Het is dus niet zo vreemd dat hij in 1972 op de hoogte was van wat er op congressen in Wenen (de bakermat van de psychoanalyse) werd gezegd, als hij er al niet door zijn psychoanalytisch geïnteresseerde vriendenkring op gewezen werd. En het is daarom ook niet zo vreemd dat hij in een betoog over wat poëzie voor hem betekent uitkomt op begrippen als ‘gebrek’, ‘als gebrek gevoelde defecten’ en ‘vernedering’.
Thérese Cornips heeft hem in de jaren die aan de publicatie van zijn debuut voorafgingen meegemaakt. Zij vertelde daarover in haar boek met herinneringen:
“Ik denk dat Chris ook erkenning wilde, ja. Hij wilde publiceren. Hij zei altijd dat je twee keer zo hoog moest stijgen als dat je naar beneden was gezakt: ‘Zo laag als ik gezonken ben in de ogen van iedereen, tweemaal zo hoog zal ik moeten opstijgen om de trap terug te geven die zij mij hebben gegeven, en dat zal ook gebeuren.’”
• Bron: Flickr / kiusap
In ‘De Schatkamer’ van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid bevindt zich tot nu toe één audiofragment van Chris van Geel, zoals eerder al gemeld, in het lemma ‘Stip-t’, in dit Van Geel Alfabet. Het fragment begint met de voordracht, door de dichter zelf, van vierenveertig van zijn gedichten. Daarna volgen twee heel korte fragmenten uit, zo te horen, twee verschillende interviews. Ook hierbij ontbreekt, net als bij de gedichten, een beschrijving van de herkomst. Er wordt geen datering en geen programmatitel gegeven, en ook de naam van de interviewer(s) is niet bekend.
Een van die twee interviewfragmenten begint plompverloren met een interviewer die een vraag stelt. Uit de formulering valt op te maken dat er al een gesprek aan vooraf is gegaan, en dat deze vraag wel de laatste zal zijn: “Chris, ik geloof dat het beste is om de zaken wat open te gooien en je tot slot te vragen om te vertellen wat nu eigenlijk je relatie is tot de poëzie, wat poëzie nu eigenlijk voor jezelf betekent, in je leven betekent.”
Het is een veelomvattende vraag, en het valt wel te begrijpen dat Van Geel er maar gedeeltelijk op kan antwoorden. Hij doet dat heel bedachtzaam: “Daarop antwoorden, dat zou een lang verhaal worden.” Maar hij wil wel iets zeggen over wat hem nu te binnen schiet, over “een aspect” van zijn verhouding tot de poëzie: “Ik las namelijk van een psychiater die op een psychoanalytisch congres in Wenen de stelling had willen poneren dat kunst onécht zou zijn, aanstellerij.” Daar kan hij het absoluut niet mee eens zijn. Kunst is helemaal niet onecht, in zijn ogen: “(…) het is compensátie voor het méér dan echte – voor gebrek, en als gebrek gevoelde defecten. Men moet zich immers naar boven herstellen, zover als men naar beneden vernederd is.”
Dat is zijn eerste antwoord, min of meer uit de losse pols. Hij laat er een tweede antwoord op volgen, niet ontleend aan de theorie, maar nu uit zijn eigen praktijk, ook min of meer uit de losse pols: “En het tweede voorbeeld vind ik hier, al bladerend in mijn gedichten, waar ik als het ware het symbool vind van wat ik daarnet zei.” En daarna leest hij zijn gedicht ‘Duif in het nauw’ voor:
DUIF IN HET NAUW
Een duif die tussen bomen
een kleine plek uitkiest
tolt dralend om zijn as
en komt spiralend neer.
De charme van zijn dalen stijgt
als hij gebrek aan ruimte heeft.”
Daarna eindigt het interviewfragment.
‘Duif in het nauw’ is voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Soma, in november-december 1972. Op grond daarvan is het aannemelijk dat het interviewfragment dateert uit de maanden daarvoor, toen het gedicht al wel geschreven was, maar nog niet gepubliceerd.
Het is een betrekkelijk eenvoudig gedicht. Zonder eindrijm, maar wel met hier en daar wat terloops, midden in de regels aangebracht rijm. Kijk naar de korte om-klank in ‘om’ en ‘komt’ (in regel 3 en 4). Kijk ook naar de lange ij-klank in ‘stijgt’ en ‘hij’ (in regel 5 en 6). Het woord ‘gebrek’ in de slotregel rijmt op ‘plek’ in de tweede regel, waardoor het geheel (althans in de klank) bij elkaar wordt gehouden. Hetzelfde geldt voor de ui-klank in ‘duif’ en ‘ruimte’ in de begin- en de slotregel. Het meest opvallend in dit gedicht is de nadruk op de drie lange a’s in ‘dralend’, ‘spiralend’ en ‘dalen’. Met wat goede wil kun je zeggen dat het gedicht door die losjes over de regels verspreide rijmklanken zelf ook een licht spiralende vorm krijgt, die overeenkomt met de spiralende daalbeweging van de duif die hier beschreven wordt.
De bewering van het gedicht zal duidelijk zijn. De duif die een kleine landingsplek tussen de bomen heeft uitgekozen moet veel moeite doen om daar terecht te komen. Hij moet eerst een tijdje aarzelen en twijfelen en zoeken (“dralen om zijn as”) en daarna wat ingewikkelde vlieg- en fladderbewegingen maken (“spiralen”) voordat hij zijn doel kan bereiken. Maar hoe lastiger de landingslocatie, hoe mooier nu juist zijn pogingen worden om die locatie te bereiken. Dat staat in de beknopte formulering waarmee het gedicht besluit, met een aardige (je zou haast zeggen: charmante) opeenvolging van de tegenstrijdige begrippen ‘dalen’ en ‘stijgen’: “De charme van zijn dalen stijgt / als hij gebrek aan ruimte heeft.”
De duif maakt het zichzelf moeilijk als hij wil landen op die ene lastig te bereiken plek. Dat is in zekere zin zijn gebrek. Maar hoe meer moeite hij moet doen om zijn gebrek te compenseren, hoe mooier het is als het hem lukt. Daarmee sluit zijn landingspoging aan bij de bewering van Van Geel over de functie van kunst. De kunst (de kunst van de moeilijke landing) is niet onecht, en geen aanstellerij, zoals die psychiater op het Weense psychiaterscongres wilde beweren. Het is juist het tegenovergestelde: het is een poging om een gebrek te compenseren, om er iets moois van te maken.
Hoe moeilijker een probleem is, hoe mooier de oplossing ervan – dat is zo ongeveer het aforisme waarmee dit gedicht besluit. Het is geen nieuw inzicht. Denk aan de bekende regel van Goethe, uit zijn sonnet ‘Natur und Kunst’: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister.” Zoiets zegt Van Geel hier ook, in de slotregels: juist in het nauw toont zich de schoonheid. Vergelijk ook de ervaring van veel dichters dat de verplichting om een rijmschema te volgen (‘rijmdwang’) nu juist kan leiden tot rijmvóndsten. Of denk aan een wijsheid van Van Geel zelf, vaak door hem geciteerd: “Armoede maakt creatief”.
Van Geels verdediging van kunst als compensatie voor een gebrek klinkt cultureel en intellectueel verantwoord, zeker als ze zo bedachtzaam geformuleerd wordt als in dit interviewfragment, of zo elegant als aan het slot van ‘Duif in het nauw’. Maar zo fijn cultureel is het in werkelijkheid natuurlijk niet. Niemand is echt blij met zijn “gebrek” of met zijn “als gebrek gevoelde defecten”.
In de formulering “Men moet zich immers naar boven herstellen, zover als men naar beneden vernederd is” valt het woord “vernederd” op. Van Geel voelde zich in allerlei opzichten mislukt – door zijn afkomst, zijn ouders, zijn gebrek aan opleiding, zijn isolement, zijn armoede, zijn gebrek aan succes als vader, als beeldend kunstenaar, en lange tijd ook als dichter. Zijn gevoel van mislukking werd pas in 1958 enigszins getemperd, met de publicatie, op veertigjarige leeftijd, van zijn lijvige debuutbundel Spinroc en andere verzen, in de vignettenreeks van de prestigieuze uitgeverij G.A. van Oorschot.
Maar de ervaring van afwijzing, nederlaag, minderwaardigheid zat diep. Van Geel wist dat veel van zijn wraak- en woedegevoelens daarin geworteld waren. Hij was sterk beïnvloed door de leer van Freud, en hij was gewend psychoanalytisch te denken, ook en vooral over zichzelf. Het is dus niet zo vreemd dat hij in 1972 op de hoogte was van wat er op congressen in Wenen (de bakermat van de psychoanalyse) werd gezegd, als hij er al niet door zijn psychoanalytisch geïnteresseerde vriendenkring op gewezen werd. En het is daarom ook niet zo vreemd dat hij in een betoog over wat poëzie voor hem betekent uitkomt op begrippen als ‘gebrek’, ‘als gebrek gevoelde defecten’ en ‘vernedering’.
Thérese Cornips heeft hem in de jaren die aan de publicatie van zijn debuut voorafgingen meegemaakt. Zij vertelde daarover in haar boek met herinneringen:
“Ik denk dat Chris ook erkenning wilde, ja. Hij wilde publiceren. Hij zei altijd dat je twee keer zo hoog moest stijgen als dat je naar beneden was gezakt: ‘Zo laag als ik gezonken ben in de ogen van iedereen, tweemaal zo hoog zal ik moeten opstijgen om de trap terug te geven die zij mij hebben gegeven, en dat zal ook gebeuren.’”
• Bron: Flickr / kiusap

Reacties
Een reactie posten