.
In februari 1971 verscheen de derde lijvige dichtbundel van Chris van Geel: Het zinrijk. Hij had er lang aan gewerkt, zoals aan al zijn bundels – en aan al zijn gedichten. We mogen er wel van uitgaan dat hij het openingsgedicht met zorg had gekozen. Het zinrijk opende met een lange, zestig gedichten tellende afdeling ‘Areaal’, en daarvan was dit het eerste gedicht:
ONDERHOUT
Wat leeft groeit krom,
dichtbij de grond,
vitaal en dom.
Onderhout, met een t aan het eind, is de verzamelnaam voor het “laag houtgewas onder de bomen die de opstand vormen”, volgens Van Dale. Ik ben geen bosdeskundige, dus ik moet dan ook weer opzoeken hoe dat zit met die opstand. Met “opstand” wordt “het in een bos of een gedeelte ervan voorhanden geboomte” bedoeld, zegt Van Dale. Ofwel: “het staand hout”. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gebruikt voor “onderhout” deze definitie: de “lage, struikachtige, min of meer verwilderde begroeiing tussen de bomen in een bos of populierenopstand.” Andere naslagwerken houden het eenvoudigweg op “laag geboomte” of “alle planten die groeien onder bomen”.
We weten dus niet wat Van Geel hier nu precies voor ogen had: gaat het om kleine boompjes, of lage struikjes, of klein gebleven planten? Maar we kunnen er wel van uitgaan dat dit hout zich ónder ander, hoger hout bevond. En we kunnen ook wel zien dat Van Geel het lot van deze lage begroeiing wil uitbreiden tot iets algemeners, tot een motto, een programma, een levensopvatting. “Wat leeft groeit krom”, dat is de weinig opwekkende boodschap waarmee deze bundel opent. Alles wat leeft groeit – en gaat dus omhoog. Maar alles wat groeit, groeit op den duur ook weer krom, naar de grond toe.
Is het een verrassend inzicht? Nee, dat kun je niet zeggen. De sfinx in de oude Oedipus-mythe wist het al, en Oedipus ook. Dit was het raadsel van de sfinx: “Wat heeft ’s morgens vier benen, ’s middags twee en ’s avonds drie?” Oedipus gaf het antwoord: de mens. In de ochtend van zijn leven loopt de mens, als baby, op vier benen: hij kruipt op twee handen en twee voeten rond. In de middag (in zijn volwassenheid) loopt hij op twee benen. Maar in de avond van zijn leven (in de ouderdom) groeit de mens langzaam krom, en moet hij een hulpmiddel gebruiken om nog te kunnen lopen: een stok, zijn derde been.
Van Geel, surrealist en (dus) ook freudiaan, maakte zich weinig illusies over het nut van de menselijke gedrevenheid, of over de verhevenheid van zijn gedachten. Hij, de mens, is ongeduldig, hij wil vooruit en omhoog, maar intussen wordt hij door alledaagse driften geleid. Hij is “vitaal en dom”. Hij leeft laag bij de grond, in beide betekenissen. En hij ziet niet in dat zijn groei in werkelijkheid kromgroei is: met de neus naar het graf.
In een ander onderhout-gedicht, ‘Onderhout van ahorn ’s nachts’, ook in de bundel Het zinrijk, loopt de dichter ’s nachts langs een ahorn (een esdoorn). In de nachtelijke stilte hoort hij hem licht zuchten en steunen, omdat hij zijn bladeren moet afstaan. Het onderhout is nog te klein en te jong om te zien wat hem overkomt (om “zich in doodsgevaren te herkennen”), maar de passerende dichter weet het al: de grond is het graf (“graf de grond”), hij groeit zijn dood tegemoet.
In haar interview met Bibeb in Vrij Nederland van 23 september 1978 vertelde Elly de Waard onder meer over haar leven met Van Geel. En over het openingsgedicht van Het zinrijk:
“Mijn vondsten werden wel door hem opgepakt. De eerste van de bundels waarbij ik betrokken was (Het zinrijk) opent met een regel van mij. ‘Vitaal en dom’ bij voorbeeld heb ik gezegd in een ruzie.”
Van Geel had als dichter altijd haast, en hij ergerde zich aan het gebrek aan haast van De Waard. Maar zij op haar beurt vroeg zich af, althans wanneer ze boos op hem was, wat het nut was van zijn vitale dichterlijkheid.
“Hij vond me vaak vreselijk lui, maar ik heb me altijd verdedigd. Ik zei dat ik een tijdlang stil zitten en nadenken nodig heb. Hij had zelf dat calvinistische: ‘Geen tijd verspillen. Opschieten, het graf gaapt’ zei hij vaak.”
Van Geel had de gewoonte om regels van anderen over te nemen in zijn eigen gedichten, vaak zonder bronvermelding, en vaak zonder zich de herkomst te herinneren. Of hij deed alsof. Dat stak de leveranciers van die regels natuurlijk. Zo ging Elly de Waard verder, in de weergave van interviewer Bibeb:
“Even later, driftig: ‘Hij heeft vondsten van mij geannexeerd en vergat dat ze van mij waren. Als ik zei: “Dat heb ik je gezegd,” wist hij het niet meer. Geloofde het ook niet. Ik kwaad. Ik vond het zo lullig dat-ie het vergeten was.”
Eind december 1973 werd Van Geel ziek. Hij viel om, en werd meteen opgenomen in het ziekenhuis. In het begin van 1974 werd duidelijk dat hij ernstig ziek was: kanker met uitzaaiingen in het ruggenmerg. Hij werd geopereerd, naar een revalidatie-oord gebracht, en dagelijks naar Amsterdam gereden voor bestralingen, maar die mochten niet baten. Hij overleed op 8 maart 1974. Het ging allemaal heel snel. Elly de Waard, in haar gesprek met Bibeb:
“We dachten er nooit aan dat hij dood zou gaan. Het kwam niet in ons op. Dat is vitaal en dom.”
• Elly de Waard, omstreeks 1978; foto W. Ruigrok
In februari 1971 verscheen de derde lijvige dichtbundel van Chris van Geel: Het zinrijk. Hij had er lang aan gewerkt, zoals aan al zijn bundels – en aan al zijn gedichten. We mogen er wel van uitgaan dat hij het openingsgedicht met zorg had gekozen. Het zinrijk opende met een lange, zestig gedichten tellende afdeling ‘Areaal’, en daarvan was dit het eerste gedicht:
ONDERHOUT
Wat leeft groeit krom,
dichtbij de grond,
vitaal en dom.
Onderhout, met een t aan het eind, is de verzamelnaam voor het “laag houtgewas onder de bomen die de opstand vormen”, volgens Van Dale. Ik ben geen bosdeskundige, dus ik moet dan ook weer opzoeken hoe dat zit met die opstand. Met “opstand” wordt “het in een bos of een gedeelte ervan voorhanden geboomte” bedoeld, zegt Van Dale. Ofwel: “het staand hout”. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gebruikt voor “onderhout” deze definitie: de “lage, struikachtige, min of meer verwilderde begroeiing tussen de bomen in een bos of populierenopstand.” Andere naslagwerken houden het eenvoudigweg op “laag geboomte” of “alle planten die groeien onder bomen”.
We weten dus niet wat Van Geel hier nu precies voor ogen had: gaat het om kleine boompjes, of lage struikjes, of klein gebleven planten? Maar we kunnen er wel van uitgaan dat dit hout zich ónder ander, hoger hout bevond. En we kunnen ook wel zien dat Van Geel het lot van deze lage begroeiing wil uitbreiden tot iets algemeners, tot een motto, een programma, een levensopvatting. “Wat leeft groeit krom”, dat is de weinig opwekkende boodschap waarmee deze bundel opent. Alles wat leeft groeit – en gaat dus omhoog. Maar alles wat groeit, groeit op den duur ook weer krom, naar de grond toe.
Is het een verrassend inzicht? Nee, dat kun je niet zeggen. De sfinx in de oude Oedipus-mythe wist het al, en Oedipus ook. Dit was het raadsel van de sfinx: “Wat heeft ’s morgens vier benen, ’s middags twee en ’s avonds drie?” Oedipus gaf het antwoord: de mens. In de ochtend van zijn leven loopt de mens, als baby, op vier benen: hij kruipt op twee handen en twee voeten rond. In de middag (in zijn volwassenheid) loopt hij op twee benen. Maar in de avond van zijn leven (in de ouderdom) groeit de mens langzaam krom, en moet hij een hulpmiddel gebruiken om nog te kunnen lopen: een stok, zijn derde been.
Van Geel, surrealist en (dus) ook freudiaan, maakte zich weinig illusies over het nut van de menselijke gedrevenheid, of over de verhevenheid van zijn gedachten. Hij, de mens, is ongeduldig, hij wil vooruit en omhoog, maar intussen wordt hij door alledaagse driften geleid. Hij is “vitaal en dom”. Hij leeft laag bij de grond, in beide betekenissen. En hij ziet niet in dat zijn groei in werkelijkheid kromgroei is: met de neus naar het graf.
In een ander onderhout-gedicht, ‘Onderhout van ahorn ’s nachts’, ook in de bundel Het zinrijk, loopt de dichter ’s nachts langs een ahorn (een esdoorn). In de nachtelijke stilte hoort hij hem licht zuchten en steunen, omdat hij zijn bladeren moet afstaan. Het onderhout is nog te klein en te jong om te zien wat hem overkomt (om “zich in doodsgevaren te herkennen”), maar de passerende dichter weet het al: de grond is het graf (“graf de grond”), hij groeit zijn dood tegemoet.
In haar interview met Bibeb in Vrij Nederland van 23 september 1978 vertelde Elly de Waard onder meer over haar leven met Van Geel. En over het openingsgedicht van Het zinrijk:
“Mijn vondsten werden wel door hem opgepakt. De eerste van de bundels waarbij ik betrokken was (Het zinrijk) opent met een regel van mij. ‘Vitaal en dom’ bij voorbeeld heb ik gezegd in een ruzie.”
Van Geel had als dichter altijd haast, en hij ergerde zich aan het gebrek aan haast van De Waard. Maar zij op haar beurt vroeg zich af, althans wanneer ze boos op hem was, wat het nut was van zijn vitale dichterlijkheid.
“Hij vond me vaak vreselijk lui, maar ik heb me altijd verdedigd. Ik zei dat ik een tijdlang stil zitten en nadenken nodig heb. Hij had zelf dat calvinistische: ‘Geen tijd verspillen. Opschieten, het graf gaapt’ zei hij vaak.”
Van Geel had de gewoonte om regels van anderen over te nemen in zijn eigen gedichten, vaak zonder bronvermelding, en vaak zonder zich de herkomst te herinneren. Of hij deed alsof. Dat stak de leveranciers van die regels natuurlijk. Zo ging Elly de Waard verder, in de weergave van interviewer Bibeb:
“Even later, driftig: ‘Hij heeft vondsten van mij geannexeerd en vergat dat ze van mij waren. Als ik zei: “Dat heb ik je gezegd,” wist hij het niet meer. Geloofde het ook niet. Ik kwaad. Ik vond het zo lullig dat-ie het vergeten was.”
Eind december 1973 werd Van Geel ziek. Hij viel om, en werd meteen opgenomen in het ziekenhuis. In het begin van 1974 werd duidelijk dat hij ernstig ziek was: kanker met uitzaaiingen in het ruggenmerg. Hij werd geopereerd, naar een revalidatie-oord gebracht, en dagelijks naar Amsterdam gereden voor bestralingen, maar die mochten niet baten. Hij overleed op 8 maart 1974. Het ging allemaal heel snel. Elly de Waard, in haar gesprek met Bibeb:
“We dachten er nooit aan dat hij dood zou gaan. Het kwam niet in ons op. Dat is vitaal en dom.”
• Elly de Waard, omstreeks 1978; foto W. Ruigrok

Reacties
Een reactie posten