.
In Spinroc en andere verzen (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels in totaal, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen niet erg compacte, maar nogal spreektalige stijl:
LENTE ’57
Voor wat het mooie weer verstoort,
het ritselen van dorre bladeren, de wind,
de grijze veren aan de horizon,
ben ik een stal met open deuren
om in te rijden, uit te rijden,
het nadenken een bergplaats.
Voor zon heb ik geen oog,
zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar
en speelt haar sluiers eindeloos.
Zij is misplaatst, verspild.
Ik kies de nacht, het distelblad,
een koepel voor gestorven
muziek,
een afdak voor verdriet,
een winter in het gras.
Ik wilde er iets over opzoeken, via Google, maar vond niet wat ik zocht. Zou de AI-assistent van Google er nog iets over te melden hebben? Jawel: “Het gedicht ‘Lente ’57’ van Chr.J. van Geel (1917–1974) is een kort, intens natuurgedicht dat typerend is voor zijn stijl: uiterst geconcentreerd en met een scherp oog voor de kleinste details in het landschap.” Dat is wel een goede karakteristiek van veel van het werk van Van Geel, maar het leek me nu juist niet van toepassing op dit lange gedicht over de lente van 1957. Verder meldde AI: “Het staat gepubliceerd op pagina 132 van zijn Verzamelde gedichten (1993).” Dat klopte dan weer wel. Vervolgens gaf AI ook de tekst van het gedicht. Altijd handig. Maar wat volgde was niet het lentegedicht van vijftien regels uit de bundel Spinroc, maar heel iets anders:
De knotwilg heeft zijn as ontlast,
zijn groene vlammen uitgetast,
en alles wat hij droomde is nu waar:
de lente is een vogel, maar
met duizend vleugels in het haar.
Dat is helemaal geen gedicht van Van Geel. Maar daar trekt AI zich niets van aan. Hij interpreteert er onder het kopje ‘Kernpunten en Analyse’ lustig op los. Hij gaat in op de ‘betekenis’, de ‘stijl’, het aspect van de ‘transformatie’ en de ‘beeldspraak’ in het gedicht, en weet verrassende verbanden te leggen: “Van Geel gebruikt een krachtige metafoor waarbij de uitlopende takken van de knotwilg worden vergeleken met ‘groene vlammen’. De ‘as’ die hij ontlast, verwijst waarschijnlijk naar het grauwe, winterse uiterlijk van de boom.”
Misschien vergiste AI zich, en interpreteerde hij per ongeluk de betekenis, de stijl, de transformatie en de beeldspraak in een knotwilggedicht van iemand anders? Als ik AI de tekst van het gedicht voorleg met de vraag wie de dichter is, meldt hij onverwijld, en met prettige precisie: “Dit zijn de slotregels uit het gedicht ‘De Knotwilg’ van de Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst. De strofe beschrijft op bezielde wijze de ontluikende natuur in de lente, waarbij de uitlopende knoppen worden vergeleken met duizend vogelvleugels.”
Maar als ik vervolgens in het Verzameld Werk van Roland Holst op zoek ga naar ‘De Knotwilg’, vind ik nergens een gedicht met die titel, en ook geen gedichten die erop lijken. Toch laat AI zich ook daar niet door weerhouden. Hij (of zij of het) spreekt van “een beroemd gedicht” dat de Prins der Dichters geschreven zou hebben in 1906 (dat zou dan drie jaar voor zijn debuut zijn). “In dit gedicht wordt de knotwilg gebruikt als een symbool voor de mens die, ondanks de zware slagen van het leven (“’s levens moker”) zijn innerlijke waardigheid en visie behoudt.” Het citaat met de moker is niet in het vijfregelige knotwilggedicht te vinden, en dat geldt ook voor “een bekend fragment uit het gedicht” dat daarna wordt geciteerd:
Wie ’s levens moker maar getroost laat beuken,
doch in zich ’t beeld bewaart, dat eens hem blonk,
die voelt wel eindlijk in zijn oude tronk
een koel en teder lentelicht ontluiken.
Als ik AI vraag van wie de regels van dat bekende fragment uit het beroemde gedicht dan wèl zijn, antwoordt hij zonder blikken of blozen dat “deze regels het begin vormen van het gedicht ‘De knotwilg’”, maar dat is dan opeens niet meer door A. Roland Holst geschreven, maar door ene “Th. van Ameide (een pseudoniem van de priester-dichter Thomas van Dun, 1891-1959).” Verder wijst hij mij erop dat ik de slotregel niet goed citeer: voor “een koel en teder lentelicht ontluiken” moet ik lezen “een vastheid groeien, die geen lot kan deuken.” Dat lijkt mij ook een zinvolle correctie: ‘deuken’ rijmt veel lekkerder op ‘beuken’.
Van het lentegedicht van Van Geel weten we nu nog steeds niets, maar het goede nieuws is dat we via al deze omwegen zowaar weer op enigszins betrouwbare bodem zijn beland. Er bestaat inderdaad een gedicht ‘Knotwilg’ van ene Theo van Ameide, wiens naam trouwens geen pseudoniem is van een priester-dichter die leefde van 1891 tot 1959, maar van Johan Hendrik Labberton, een jurist, dichter en essayist die leefde van 1877 tot 1955. Het gedicht verscheen in december 1906 in het tijdschrift De Beweging:
KNOTWILG
Wie 's levens moker maar getroost laat beuken,
doch in zich ’t beeld bewaart, dat eens hem blonk,
die voelt wel eindlijk in zijn ouden tronk
een vastheid groeien, die geen lot kan deuken.
Al staat hij krom en armelijk ontwricht
ergens alleen, ver van de blanke vlieten,
door iedre nieuwe lent gedreven schieten
lenige twijgjes naar het heilig licht.
Gansch uitgehold en meer dan half gekloofd,
verwint zijn taaie leven alle wonden:
zijn gulden bloesems geuren in het ronde,
een zilvren blarenkrans omstraalt zijn hoofd.
Het heeft niets te maken met ‘Lente ’57’ van Chris van Geel. Daarover een andere keer.
• Lentevlucht bij de knotwilg door ChatGPT.
In Spinroc en andere verzen (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels in totaal, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen niet erg compacte, maar nogal spreektalige stijl:
LENTE ’57
Voor wat het mooie weer verstoort,
het ritselen van dorre bladeren, de wind,
de grijze veren aan de horizon,
ben ik een stal met open deuren
om in te rijden, uit te rijden,
het nadenken een bergplaats.
Voor zon heb ik geen oog,
zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar
en speelt haar sluiers eindeloos.
Zij is misplaatst, verspild.
Ik kies de nacht, het distelblad,
een koepel voor gestorven
muziek,
een afdak voor verdriet,
een winter in het gras.
Ik wilde er iets over opzoeken, via Google, maar vond niet wat ik zocht. Zou de AI-assistent van Google er nog iets over te melden hebben? Jawel: “Het gedicht ‘Lente ’57’ van Chr.J. van Geel (1917–1974) is een kort, intens natuurgedicht dat typerend is voor zijn stijl: uiterst geconcentreerd en met een scherp oog voor de kleinste details in het landschap.” Dat is wel een goede karakteristiek van veel van het werk van Van Geel, maar het leek me nu juist niet van toepassing op dit lange gedicht over de lente van 1957. Verder meldde AI: “Het staat gepubliceerd op pagina 132 van zijn Verzamelde gedichten (1993).” Dat klopte dan weer wel. Vervolgens gaf AI ook de tekst van het gedicht. Altijd handig. Maar wat volgde was niet het lentegedicht van vijftien regels uit de bundel Spinroc, maar heel iets anders:
De knotwilg heeft zijn as ontlast,
zijn groene vlammen uitgetast,
en alles wat hij droomde is nu waar:
de lente is een vogel, maar
met duizend vleugels in het haar.
Dat is helemaal geen gedicht van Van Geel. Maar daar trekt AI zich niets van aan. Hij interpreteert er onder het kopje ‘Kernpunten en Analyse’ lustig op los. Hij gaat in op de ‘betekenis’, de ‘stijl’, het aspect van de ‘transformatie’ en de ‘beeldspraak’ in het gedicht, en weet verrassende verbanden te leggen: “Van Geel gebruikt een krachtige metafoor waarbij de uitlopende takken van de knotwilg worden vergeleken met ‘groene vlammen’. De ‘as’ die hij ontlast, verwijst waarschijnlijk naar het grauwe, winterse uiterlijk van de boom.”
Misschien vergiste AI zich, en interpreteerde hij per ongeluk de betekenis, de stijl, de transformatie en de beeldspraak in een knotwilggedicht van iemand anders? Als ik AI de tekst van het gedicht voorleg met de vraag wie de dichter is, meldt hij onverwijld, en met prettige precisie: “Dit zijn de slotregels uit het gedicht ‘De Knotwilg’ van de Nederlandse dichter Adriaan Roland Holst. De strofe beschrijft op bezielde wijze de ontluikende natuur in de lente, waarbij de uitlopende knoppen worden vergeleken met duizend vogelvleugels.”
Maar als ik vervolgens in het Verzameld Werk van Roland Holst op zoek ga naar ‘De Knotwilg’, vind ik nergens een gedicht met die titel, en ook geen gedichten die erop lijken. Toch laat AI zich ook daar niet door weerhouden. Hij (of zij of het) spreekt van “een beroemd gedicht” dat de Prins der Dichters geschreven zou hebben in 1906 (dat zou dan drie jaar voor zijn debuut zijn). “In dit gedicht wordt de knotwilg gebruikt als een symbool voor de mens die, ondanks de zware slagen van het leven (“’s levens moker”) zijn innerlijke waardigheid en visie behoudt.” Het citaat met de moker is niet in het vijfregelige knotwilggedicht te vinden, en dat geldt ook voor “een bekend fragment uit het gedicht” dat daarna wordt geciteerd:
Wie ’s levens moker maar getroost laat beuken,
doch in zich ’t beeld bewaart, dat eens hem blonk,
die voelt wel eindlijk in zijn oude tronk
een koel en teder lentelicht ontluiken.
Als ik AI vraag van wie de regels van dat bekende fragment uit het beroemde gedicht dan wèl zijn, antwoordt hij zonder blikken of blozen dat “deze regels het begin vormen van het gedicht ‘De knotwilg’”, maar dat is dan opeens niet meer door A. Roland Holst geschreven, maar door ene “Th. van Ameide (een pseudoniem van de priester-dichter Thomas van Dun, 1891-1959).” Verder wijst hij mij erop dat ik de slotregel niet goed citeer: voor “een koel en teder lentelicht ontluiken” moet ik lezen “een vastheid groeien, die geen lot kan deuken.” Dat lijkt mij ook een zinvolle correctie: ‘deuken’ rijmt veel lekkerder op ‘beuken’.
Van het lentegedicht van Van Geel weten we nu nog steeds niets, maar het goede nieuws is dat we via al deze omwegen zowaar weer op enigszins betrouwbare bodem zijn beland. Er bestaat inderdaad een gedicht ‘Knotwilg’ van ene Theo van Ameide, wiens naam trouwens geen pseudoniem is van een priester-dichter die leefde van 1891 tot 1959, maar van Johan Hendrik Labberton, een jurist, dichter en essayist die leefde van 1877 tot 1955. Het gedicht verscheen in december 1906 in het tijdschrift De Beweging:
KNOTWILG
Wie 's levens moker maar getroost laat beuken,
doch in zich ’t beeld bewaart, dat eens hem blonk,
die voelt wel eindlijk in zijn ouden tronk
een vastheid groeien, die geen lot kan deuken.
Al staat hij krom en armelijk ontwricht
ergens alleen, ver van de blanke vlieten,
door iedre nieuwe lent gedreven schieten
lenige twijgjes naar het heilig licht.
Gansch uitgehold en meer dan half gekloofd,
verwint zijn taaie leven alle wonden:
zijn gulden bloesems geuren in het ronde,
een zilvren blarenkrans omstraalt zijn hoofd.
Het heeft niets te maken met ‘Lente ’57’ van Chris van Geel. Daarover een andere keer.
• Lentevlucht bij de knotwilg door ChatGPT.

Reacties
Een reactie posten