Doorgaan naar hoofdcontent

Beltbaron

.
In de nacht van 11 op 12 februari 1972 brandde het huis van Chris van Geel en Elly de Waard af. Zij waren niet thuis toen het gebeurde. Toen ze diep in de nacht in Groet aankwamen, was de brand al geblust. “Alles was veranderd in een natte prut”, vertelde Van Geel later. Maar alles stond nog wel min of meer op zijn eigen plaats. Dat werd anders toen de brandweer besloot de muren toch maar omver te trekken, omdat er gevaar voor instorting bestond.
       Er ging bij de brand van alles verloren, maar toch bleek een nog verrassend groot deel van de brieven, gedichten en tekeningen gered te kunnen worden. De Amsterdamse hoogleraar Hellinga zorgde ervoor dat er de volgende dag al een busje bij het afgebrande huis stond om nog zoveel mogelijk van de aangebrande natte manuscripten en andere papieren in veiligheid te brengen. Ze werden voorlopig naar het Ceres-gebouw in Amsterdam gebracht, een dependance van de Universiteitsbibliotheek.
       Een ander deel van de stinkende natte resten van het huis en de inboedel belandde op een vuilnisbelt in Oterleek, een dorpje op zo’n vijftien kilometer van Groet. Van Geel reed er, samen met Ser Prop, naar toe om te zien of er nog wat waardevols uit te redden viel. Maar zo gemakkelijk ging dat niet.
       In die tijd kwam het nog wel voor dat particulieren (vaak boeren) kleine stortplekken beheerden op eigen terrein, en dat gold ook voor de belt waar Van Geel en Prop zich meldden. De eigenaar, een leraar, weigerde hen toegang, en bleef daar lang in volharden. Hij gedroeg zich als een baron die geen pottenkijkers op zijn landgoed duldde. “Ten einde raad heb ik de beltbaron geld geboden” vertelde Van Geel in de zomer van 1972, in een interview, aan G. Brands. Maar ook dat hielp niet:

“Nee, aan geld had hij niks. ‘Wilt u dan dat ik met een agent kom?’, vroeg ik. ‘Dat moet u doen’, zei hij. Ik zei: ‘Ach, weet u wat, als u eens naar de politie ging – ik betreed uw belt en zoek!’ Toen riep onze baron over zijn schouder: ‘Maak de hond los!’ Wij dachten: ja, dat kan niet, we kunnen ons niet door de belthond laten verscheuren. Dus wij maakten aanstalten om te vertrekken, waarop die man riep: ‘Maak de hond vast!’”

Daarop besloten Van Geel en Prop dat het toch maar beter was om de hulp van de politie in te roepen. Er kwam een agent mee die vervolgens probeerde te bemiddelen tussen de dichter en de beltbaron:

“Toen we met een agent terugkwamen, lag er een hond, kennelijk voor ons bestemd. Niet groot, maar wel groot van bek en laag op de poten, aan een enorm lang touw. De man zei: ‘Ik blijf bij mijn standpunt, u hebt hier niets te maken.’ ‘Jawel’, zei de agent, ‘ik kom hier met een menselijk verzoek, daarom wil ik u nog eens in overweging geven of u daar niet op in kunt gaan.’ De man dacht er niet aan.
       Die agent verloor zijn bewonderenswaardig geduld niet en bleef in steeds andere bewoordingen hetzelfde vragen tot die man, ten slotte, toegaf. De agent schudde handen en wij de belt op.”

Van Geel en Prop konden nu eindelijk het terrein betreden, zonder door de belthond aangevallen te worden.

“Er lagen twee hopen puin van mij. Maar er in zoeken kan alleen als een kraan de hopen uit elkaar gooit en je erin graaft. Ik heb voor de curiositeit wat oude verbrande boeken meegenomen en we vonden een getikt vel en een nog kletsnat handschriftje. Toen we weggingen toonde ik de man nadrukkelijk dat het ons alleen dáárom ging.”

Daarop ontdooide de beltbaron enigszins. Hij werd alsnog iets inschikkelijker:

“We moesten dan maar maandag komen, dan zou de kraan de boel opentrekken en – zei de beltheer – de kraanmachinist was een zeer redelijk mens, daar viel mee te praten...”

En zo eindigde het bezoek aan de belt te Oterleek. Hoe was het gedrag van de beltbaron te verklaren? Van Geel wist het ook niet, maar hij liet er nog wel, uit de losse pols, deze theorie op los:

“Misschien maakt het hebben van negatief bezit, want dat is tenslotte een vuilnisbelt, de mensen nog veel bezittiger dan het hebben van een landgoed. Daar mag je soms nog wel eens op.”


• Van Geel met halfverbrand manuscript, Achterweg 17, Groet, 1972 (foto: Wim Ruigrok)

Reacties

Populaire posts van deze blog

Krispijn

. De dichter Chr.J. van Geel was al 41 jaar oud toen hij, in 1958, debuteerde, met een dikke bundel: Spinroc en andere verzen , 148 pagina’s. In de jaren daarvoor had hij al veel gedichten geschreven, maar zonder daarvan iets te publiceren. Van Geel was erg kritisch op zichzelf, en onzeker – wat in dit geval vermoedelijk wel hetzelfde is. Hij kon erg goed twijfelen.        Zijn vriend Enno Endt en zijn levensgezel Thérèse Cornips stelden in 1955 daarom, zonder dat hij het wist, een strenge bloemlezing samen uit alle gedichten die zij op dat moment voorgelegd hadden gekregen: 78 gedichten die zij goed genoeg vonden voor publicatie en waarvan zij dachten dat Van Geel dat eigenlijk ook wel vond. Enno Endt schreef ze allemaal met de hand over in twee schoolschriften. De titel voor deze stiekem uitgekozen gedichten was Roofdruk , de vakterm voor een uitgave waarvan de auteur geen weet heeft. Ze legden de twee schriften voor aan enkele uitgevers, maar het k...

Gandhi

. In zijn column van afgelopen maandag op de opiniepagina van NRC haalde Stephan Sanders een gesprekje aan tussen een journalist en Mahatma Gandhi (1869-1948). Gandhi was, kort gezegd, de man die Brits-Indië voorging in de geweldloze bevrijding van de koloniale bezetter. In 1947 werd India onafhankelijk. Gandhi had zo zijn gedachten over de cultuur van de westerlingen, zoals blijkt uit dit korte gesprek:        – En wat denkt u van de westerse beschaving?        – Ik denk dat het een goed idee zou zijn. De kenner van het werk van Chr.J. van Geel zal dit citaat bekend voorkomen. In januari 1968 nam Barbarber deze tekst van hem op:        INTERVIEW MET GANDI        – Wat denkt u van de europese kultuur?        – Een goed idee. Van Geel zal het ergens in een krant of tijdschrift zijn tegengekomen en hij z...

Consi

. Chris van Geel (1917-1974) woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam, aan de Herengracht, hoek Amstel, even zijde, nummer 598. Natuurlijk had hij het moeilijk, zoals iedereen. Tijdens de Hongerwinter werd het ook voor hem steeds lastiger om nog aan voedsel te komen. Van Geel, al lang en dun van zichzelf, werd nu helemaal een broodmagere verschijning.        Eén keer in de week mocht hij komen eten bij de familie Heijdenrijk, bekend van de firma Heijdenrijk, de lijstenmakerij. De Heijdenrijks hadden een paar adressen waar hij ook af en toe kon aanschuiven. “Zo kwam ik de week wel door, zij het met moeite”, vertelde hij later aan G. Brands. Maar de nood was hoog. “Ten slotte betaalde ik ook 5 gulden voor een sigaret, een Consi, bij een portier op het Thorbeckeplein.”        Consi leek mij de naam van een Engels of Amerikaans sigarettenmerk. Het zuiden van Nederland was in het najaar van 1944 al bevrijd. Daa...