.
In een van de ordners waarin Chris van Geel zijn gedichten uit de jaren 1971 en 1972 verzamelde, vinden we dit nooit eerder gepubliceerde gedicht:
ETALAGICA
Hoe ook bevestigd aan
een speld, een draad die niet
te zien is, hoe het in
zijn werk ook moge gaan,
het moet onder de ogen
door ramen zichtbaar zonder
te ademen blijven staan,
rechtop al zou ’t kristal
zijn, glazen tot de top.
De titel, ‘Etalagica’, is een nieuw woord, maar niet heel moeilijk te begrijpen. Iedereen weet wat een etalage is. Het achtervoegsel -ica wordt in het Nederlands vaak gebruikt om een wetenschap, of een stelsel van regels mee aan te duiden, zoals in ‘informatica’, ‘ethica’ of ‘logica’. Met ‘etalagica’ moet hier dus zoiets bedoeld zijn als etalagewetenschap, de leer of de kunst van het inrichten van etalages.
Een van de eerste geboden uit het leerboek voor etaleurs is dat het tentoongestelde rechtop moet blijven staan, zo zegt het gedicht. Ook als het om zoiets wankels als kristallen glazen gaat, in een toren op elkaar gestapeld (“glazen tot de top”). Voor de toeschouwer die buiten staat en door de ramen naar binnen kijkt mag zo’n toren absoluut niet bewegen of lichtjes wiebelen: hij moet “zonder te ademen blijven staan”.
De etaleur mag daarvoor hulpmiddelen gebruiken (een speld, een draad, of wat dan ook, zie regel 1-4), maar die mogen voor de klant “niet te zien” zijn. Dat is een tweede gebod uit de etalagica.
Het is natuurlijk een precair werkje, het inrichten van een etalage, zeker als het om glaswerk gaat. Het geëtaleerde moet “zonder te ademen” blijven staan, maar de etaleur doet er bij het inrichten goed aan zelf ook niet te ademen, om de kans op ongelukken zo klein mogelijk te houden. Als dat allemaal gelukt is, zal de toeschouwer buiten op de stoep op zijn beurt misschien ook wel zijn adem inhouden, uit bewondering en ontzag voor het fragiele evenwicht tussen zoveel moois en breekbaars – zoals het publiek in het circus bij een circusartiest die glazen op elkaar stapelt tot een hoge, wankele toren.
*
Het is moeilijk om bij dit gedicht niet te denken aan wat Chris van Geel (1917-1974) ooit zelf in zijn jeugd overkwam. In het begin van de jaren dertig was hij met zijn ouders vanuit Amsterdam naar Utrecht verhuisd. Het was het begin van de crisisjaren. Hij ging als jongen van zestien, zeventien jaar niet meer naar school, maar volgde nog wel, onder andere via de volksuniversiteit, verschillende cursussen, zoals een cursus in “etalage en reclamewerk”.
Daarmee trad hij enigszins in het voetspoor van zijn vader die, toen de tijden beter waren en de crisis nog niet was uitgebroken, in Amsterdam de povere kost had verdiend als sierkunstenaar, zoals dat toen heette. Volgens zijn visitekaartje kon vader Chris van Geel voor verschillende opdrachten worden ingehuurd:
Chris van Geel / 3e Helmersstraat No 60 II / Amsterdam // Ontwerpt ornamentale composities voor verschillende uitvoering // Boek- en boekbandversiering catalogusomslagen ex-libris menu’s // Diploma’s monogrammen vignetten programma’s brief- en waardepapier // Kalenders artistieke reclame affiches verpakking annonces etiketten // Hoofden voor periodieken oorkonden schut- en titelbladen gedenkalbums // Uithangborden vuur- en kamerschermen wandspreuken gebrand glas // dessins voor te weven en te bedrukken stoffen // tegels wand- en plafondversiering
Zijn zoon Chris had in zijn Utrechtse jaren verschillende baantjes. In het begin van 1934 probeerde hij het bij Van Beekes Woninginrichting, in Utrecht, als leerling-etaleur. Maar dat werd geen succes. Hij kreeg van het bedrijf een getuigschrift mee met de toevoeging “Voornoemde C. van Geel is wegens ongeschiktheid voor mijn bedrijf ontslagen.” Maar daar nam de vader van voornoemde C. van Geel geen genoegen mee. Hij beweerde (in een bewaard gebleven brief van 25 mei 1934) dat die toevoeging “in wettelijk opzicht ongeoorloofd is”. Daarom vroeg hij om een nieuw getuigschrift, waarin de gewraakte omschrijving zou worden verwijderd, en alleen de mededeling zou worden opgenomen dat de jonge Chris van Geel als leerling-etaleur in dienst was geweest. En aldus geschiedde.
Niet lang daarna probeerde de jonge zoon het opnieuw, nu bij de Utrechtse vestiging van de HEMA, op de Oude Gracht, dicht bij de Bakkerbrug, opnieuw als leerling-etaleur. Maar ook dat liep niet goed af. Er zijn geen getuigschriften van bewaard, maar wel deze anekdote, door de dichter zelf verteld, vele jaren later, in oktober 1972, toen hij door G. Brands werd geïnterviewd:
“Ik heb ook als leerling-etaleur gewerkt bij de Hema op de Utrechtse Oude Gracht. Die etalages daar waren gewoon met etalageflanel gescheiden. We hadden er een kristaletalage opgebouwd van glaasjes waarop een glasplaat en daarop weer glaasjes en weer een glasplaat, tórenhoog. Enfin, wij zouden de volgende etalage gaan doen, mijn baas en ik, en daar moesten een paar planken worden bevestigd . Ik steek natuurlijk zo’n plank dwars door dat flanellen afschutsel en daar dondert me die hele kristaletalage in elkaar, zodat overal op de Oude Gracht iedereen van zijn fiets stapte…”
*
Zoals altijd bracht Van Geel later weer veranderingen aan in zijn gedicht. Hij zou in de voorlaatste regel “’t kristal” wel willen vervangen door “het glas”, of misschien kon die hele regel wel weg. Hij wilde ook nog iets meer schittering in het geheel aanbrengen: bij de laatste regel noteerde hij “in de zon” (waarschijnlijk als vervanging van “tot de top”), en de woorden “glasspinsels” en “glassplinters”.
Een van zijn meelezers (op grond van het handschrift zou het Jan Emmens geweest kunnen zijn) noteerde voor de titel het woord ‘Ars’. Dit gedicht zou je kunnen opvatten als een korte beschrijving van de kunst van het etaleren, de ‘Ars Etalagica’. Maar toen dat er eenmaal stond, lag de stap naar die andere ‘ars’ ook wel voor de hand. Dezelfde hand die bij de titel ‘Ars’ noteerde, noteerde daar ook ‘Ars Poetica’.
Vermoedelijk was dat de vondst die Van Geel op een nieuwe manier naar zijn etalage-gedicht liet kijken – en deed besluiten het te handhaven. Het gedicht was nu niet langer een eenvoudige verhandeling over het etaleren, maar het kon tegelijk ook opgevat worden als een beeld voor het schrijven van gedichten. Dit werd de tweede versie van ‘Etalagica’:
ARS POETICA
Hoe ook bevestigd aan
een speld, een draad die niet
te zien is, hoe het in
zijn werk ook moge gaan,
het moet onder de ogen
door ramen zichtbaar zonder
te ademen blijven staan,
glasspinsels tot de top.
Dichten is een vorm van etaleren, tentoonstellen in een openbare ruimte, zichtbaar voor iedere toevallige voorbijganger. En ook voor een gedicht gelden regels. Het moet er mooi uitzien, eventueel zelfs schitterend, van onder tot boven (“glasspinsels tot de top”). De lezer moet niet meer kunnen zien met hoeveel moeite of stiekeme hulpmiddelen het in elkaar is gezet. En het mag niet in elkaar donderen.
In het ideale geval heb je dan iets gemaakt waar de mensen voor van hun fiets stappen – nu niet omdat er een onherstelbare ravage is aangericht, maar omdat er iets bijzonders in elkaar is gezet: een wonderlijk wankel samenstel van woorden, om ademloos naar te kijken.
Zo is de grote schaamtevolle blunder van weleer alsnog, tientallen jaren later, omgetoverd tot iets moois. Het is niet eens overdreven om deze wending symbolisch te laten zijn voor hoe het Van Geel in zijn leven en werk verging: één grote poging om van de maatschappelijke mislukkeling die hij was een geslaagde dichter en kunstenaar te worden. Hij wilde wraak nemen op zijn afkomst en op alles wat was misgelopen in zijn leven. Toen, in 1934, voelde hij zich mislukt – afgegaan voor het oog van het passerende publiek. Nu wil hij, voor een ander toevallig passerend publiek, laten zien dat hij wel iets kan: een wankele toren bouwen van precies in elkaar passende woorden en woordjes – een gedicht.
HEMA, Oude Gracht, Utrecht, 1933 (Collectie Het Utrechts Archief)
In een van de ordners waarin Chris van Geel zijn gedichten uit de jaren 1971 en 1972 verzamelde, vinden we dit nooit eerder gepubliceerde gedicht:
ETALAGICA
Hoe ook bevestigd aan
een speld, een draad die niet
te zien is, hoe het in
zijn werk ook moge gaan,
het moet onder de ogen
door ramen zichtbaar zonder
te ademen blijven staan,
rechtop al zou ’t kristal
zijn, glazen tot de top.
De titel, ‘Etalagica’, is een nieuw woord, maar niet heel moeilijk te begrijpen. Iedereen weet wat een etalage is. Het achtervoegsel -ica wordt in het Nederlands vaak gebruikt om een wetenschap, of een stelsel van regels mee aan te duiden, zoals in ‘informatica’, ‘ethica’ of ‘logica’. Met ‘etalagica’ moet hier dus zoiets bedoeld zijn als etalagewetenschap, de leer of de kunst van het inrichten van etalages.
Een van de eerste geboden uit het leerboek voor etaleurs is dat het tentoongestelde rechtop moet blijven staan, zo zegt het gedicht. Ook als het om zoiets wankels als kristallen glazen gaat, in een toren op elkaar gestapeld (“glazen tot de top”). Voor de toeschouwer die buiten staat en door de ramen naar binnen kijkt mag zo’n toren absoluut niet bewegen of lichtjes wiebelen: hij moet “zonder te ademen blijven staan”.
De etaleur mag daarvoor hulpmiddelen gebruiken (een speld, een draad, of wat dan ook, zie regel 1-4), maar die mogen voor de klant “niet te zien” zijn. Dat is een tweede gebod uit de etalagica.
Het is natuurlijk een precair werkje, het inrichten van een etalage, zeker als het om glaswerk gaat. Het geëtaleerde moet “zonder te ademen” blijven staan, maar de etaleur doet er bij het inrichten goed aan zelf ook niet te ademen, om de kans op ongelukken zo klein mogelijk te houden. Als dat allemaal gelukt is, zal de toeschouwer buiten op de stoep op zijn beurt misschien ook wel zijn adem inhouden, uit bewondering en ontzag voor het fragiele evenwicht tussen zoveel moois en breekbaars – zoals het publiek in het circus bij een circusartiest die glazen op elkaar stapelt tot een hoge, wankele toren.
*
Het is moeilijk om bij dit gedicht niet te denken aan wat Chris van Geel (1917-1974) ooit zelf in zijn jeugd overkwam. In het begin van de jaren dertig was hij met zijn ouders vanuit Amsterdam naar Utrecht verhuisd. Het was het begin van de crisisjaren. Hij ging als jongen van zestien, zeventien jaar niet meer naar school, maar volgde nog wel, onder andere via de volksuniversiteit, verschillende cursussen, zoals een cursus in “etalage en reclamewerk”.
Daarmee trad hij enigszins in het voetspoor van zijn vader die, toen de tijden beter waren en de crisis nog niet was uitgebroken, in Amsterdam de povere kost had verdiend als sierkunstenaar, zoals dat toen heette. Volgens zijn visitekaartje kon vader Chris van Geel voor verschillende opdrachten worden ingehuurd:
Chris van Geel / 3e Helmersstraat No 60 II / Amsterdam // Ontwerpt ornamentale composities voor verschillende uitvoering // Boek- en boekbandversiering catalogusomslagen ex-libris menu’s // Diploma’s monogrammen vignetten programma’s brief- en waardepapier // Kalenders artistieke reclame affiches verpakking annonces etiketten // Hoofden voor periodieken oorkonden schut- en titelbladen gedenkalbums // Uithangborden vuur- en kamerschermen wandspreuken gebrand glas // dessins voor te weven en te bedrukken stoffen // tegels wand- en plafondversiering
Zijn zoon Chris had in zijn Utrechtse jaren verschillende baantjes. In het begin van 1934 probeerde hij het bij Van Beekes Woninginrichting, in Utrecht, als leerling-etaleur. Maar dat werd geen succes. Hij kreeg van het bedrijf een getuigschrift mee met de toevoeging “Voornoemde C. van Geel is wegens ongeschiktheid voor mijn bedrijf ontslagen.” Maar daar nam de vader van voornoemde C. van Geel geen genoegen mee. Hij beweerde (in een bewaard gebleven brief van 25 mei 1934) dat die toevoeging “in wettelijk opzicht ongeoorloofd is”. Daarom vroeg hij om een nieuw getuigschrift, waarin de gewraakte omschrijving zou worden verwijderd, en alleen de mededeling zou worden opgenomen dat de jonge Chris van Geel als leerling-etaleur in dienst was geweest. En aldus geschiedde.
Niet lang daarna probeerde de jonge zoon het opnieuw, nu bij de Utrechtse vestiging van de HEMA, op de Oude Gracht, dicht bij de Bakkerbrug, opnieuw als leerling-etaleur. Maar ook dat liep niet goed af. Er zijn geen getuigschriften van bewaard, maar wel deze anekdote, door de dichter zelf verteld, vele jaren later, in oktober 1972, toen hij door G. Brands werd geïnterviewd:
“Ik heb ook als leerling-etaleur gewerkt bij de Hema op de Utrechtse Oude Gracht. Die etalages daar waren gewoon met etalageflanel gescheiden. We hadden er een kristaletalage opgebouwd van glaasjes waarop een glasplaat en daarop weer glaasjes en weer een glasplaat, tórenhoog. Enfin, wij zouden de volgende etalage gaan doen, mijn baas en ik, en daar moesten een paar planken worden bevestigd . Ik steek natuurlijk zo’n plank dwars door dat flanellen afschutsel en daar dondert me die hele kristaletalage in elkaar, zodat overal op de Oude Gracht iedereen van zijn fiets stapte…”
*
Zoals altijd bracht Van Geel later weer veranderingen aan in zijn gedicht. Hij zou in de voorlaatste regel “’t kristal” wel willen vervangen door “het glas”, of misschien kon die hele regel wel weg. Hij wilde ook nog iets meer schittering in het geheel aanbrengen: bij de laatste regel noteerde hij “in de zon” (waarschijnlijk als vervanging van “tot de top”), en de woorden “glasspinsels” en “glassplinters”.
Een van zijn meelezers (op grond van het handschrift zou het Jan Emmens geweest kunnen zijn) noteerde voor de titel het woord ‘Ars’. Dit gedicht zou je kunnen opvatten als een korte beschrijving van de kunst van het etaleren, de ‘Ars Etalagica’. Maar toen dat er eenmaal stond, lag de stap naar die andere ‘ars’ ook wel voor de hand. Dezelfde hand die bij de titel ‘Ars’ noteerde, noteerde daar ook ‘Ars Poetica’.
Vermoedelijk was dat de vondst die Van Geel op een nieuwe manier naar zijn etalage-gedicht liet kijken – en deed besluiten het te handhaven. Het gedicht was nu niet langer een eenvoudige verhandeling over het etaleren, maar het kon tegelijk ook opgevat worden als een beeld voor het schrijven van gedichten. Dit werd de tweede versie van ‘Etalagica’:
ARS POETICA
Hoe ook bevestigd aan
een speld, een draad die niet
te zien is, hoe het in
zijn werk ook moge gaan,
het moet onder de ogen
door ramen zichtbaar zonder
te ademen blijven staan,
glasspinsels tot de top.
Dichten is een vorm van etaleren, tentoonstellen in een openbare ruimte, zichtbaar voor iedere toevallige voorbijganger. En ook voor een gedicht gelden regels. Het moet er mooi uitzien, eventueel zelfs schitterend, van onder tot boven (“glasspinsels tot de top”). De lezer moet niet meer kunnen zien met hoeveel moeite of stiekeme hulpmiddelen het in elkaar is gezet. En het mag niet in elkaar donderen.
In het ideale geval heb je dan iets gemaakt waar de mensen voor van hun fiets stappen – nu niet omdat er een onherstelbare ravage is aangericht, maar omdat er iets bijzonders in elkaar is gezet: een wonderlijk wankel samenstel van woorden, om ademloos naar te kijken.
Zo is de grote schaamtevolle blunder van weleer alsnog, tientallen jaren later, omgetoverd tot iets moois. Het is niet eens overdreven om deze wending symbolisch te laten zijn voor hoe het Van Geel in zijn leven en werk verging: één grote poging om van de maatschappelijke mislukkeling die hij was een geslaagde dichter en kunstenaar te worden. Hij wilde wraak nemen op zijn afkomst en op alles wat was misgelopen in zijn leven. Toen, in 1934, voelde hij zich mislukt – afgegaan voor het oog van het passerende publiek. Nu wil hij, voor een ander toevallig passerend publiek, laten zien dat hij wel iets kan: een wankele toren bouwen van precies in elkaar passende woorden en woordjes – een gedicht.
HEMA, Oude Gracht, Utrecht, 1933 (Collectie Het Utrechts Archief)

Reacties
Een reactie posten