.
Dit is een gedicht van Chris van Geel, uit zijn bundel Enkele gedichten (1973):
Nacht in een theepot
waar water blad,
blad water koestert,
een lichte damp
de tuit verlaat.
We zien een theepot waarin thee staat te trekken. In de theepot is het donker. Er heerst een zekere intimiteit: de theeblaadjes en het theewater koesteren elkaar. Na een tijdje komt er een klein stoomsliertje, “een lichte damp”, omhoog gedreven uit de tuit van de pot.
Het gedicht bevindt zich in de bundel tussen gedichten die zich afspelen in een sfeer van nachtelijke wandelingen. Het is ook mogelijk dat het een verbeelding is van een natuurtafereel, gezien bij een sloot of vijver, met bomen of struiken ernaast. Het is er stil waarschijnlijk, de meeste dieren slapen nog. Er zijn wat bladeren in of op het water gevallen, en boven het water trekt een lichte nevel, of ochtendmist, op.
Gaat het gedicht nu over een sloot of over een theepot? De vraag doet er niet toe, lijkt mij, want Van Geel laat beide werelden hier juist met opzet in elkaar overlopen. De alledaagse theepot wordt daardoor een wat geheimzinnige plek waar zich in het donker, onzichtbaar voor ons, van alles kan afspelen. En omgekeerd neemt die stille sloot in de nacht de trekken aan van een vertrouwde en behaaglijke plek, een warm nest.
De meeste lezers zullen zich hier wel iets bij voor kunnen stellen. M. Vasalis en Renate Rubinstein lazen het als een tafereel waarin het, vrij zeldzaam voor Van Geel, nu eens goed afloopt. Aan het slot verlaat een lichte damp de tuit – dat riep bij hen een gevoel van opluchting en bevrijding op.
Maar het kan ook anders. Van Geels vriend J. Offerhaus zag er geen braaf huiselijk, maar een erotisch beeld in. Hij vond het gedichtje “veel te opwindend”, zo schreef hij de dichter, zeker voor de vrijgezel die hij was, “die alleen in bed ligt, handjes boven de deken, en werken moet”. Hij legde zijn opwinding verder niet uit, maar we kunnen ons er wel iets bij voorstellen: nacht, man alleen in bed, broeiende gedachten, gisting in de erogene zone – totdat “een lichte damp / de tuit verlaat.” Voor Van Geel zelf, erg bedreven in seksueel duiden, vooral ook van zijn eigen beelden, was deze lezing nieuw. “Voor een zo dirty mind als de mijne was je erotische implicatie een verrassing”, schreef hij Offerhaus terug. Maar hij kon zich er wel in vinden: “Heel juist, heel goed, het verstevigt alleen maar de bedoelde (warme) intimiteit.”
De titel van het gedicht is opmerkelijk: ‘Thee drenken’. Geen zetfout. Bij het woord drenken veert de gemiddelde taalkundige vanzelf op, want dat is het moment om het even over een causatief te kunnen hebben. Een causatief is een oorzakelijk werkwoord, een werkwoord dat het doen of laten gebeuren van een handeling uitdrukt. Zo is vellen de causatief van vallen: vellen betekent ‘doen vallen’. Leggen: ‘doen liggen’. Zogen: ‘laten zuigen’. En zo is drenken de causatief van drinken. Drenken betekent ‘laten drinken’, ‘te drinken geven’ of ‘doortrekken met een vloeistof’. Het gedicht van Van Geel gaat niet over thee drinken, maar over thee drenken: het proces waarin de theebladeren vocht opnemen, water drinken als het ware, doordrenkt raken met water. De meeste mensen zeggen in zo’n geval dat de thee staat te trekken.
De keuze voor de titel is beter te begrijpen als we weten dat Van Geel een liefhebber was van het werk van Jan Hanlo, bijvoorbeeld van diens stukje ‘Verstreuid theezetten ofwel gedreumd theedrenken’. Daarin laat hij een deftig heerschap in zijn fonetisch uitgeschreven deftige taaltje beschrijven wat hem onlangs is overkomen. “Jae, die verstreuidheed van mee was laetst beenae vermaekelek. Hoewel, men zoo haest aen verkalkeng raen danken.” Hij vertelt dat hij er na het zetten van de thee achter was gekomen “dat ek helemael vergeten had de thee te drenken”. Hij had zich toen genoodzaakt gezien een nieuwe pot thee te zetten, “met een vers theeebeultje”, waarna hij alsnog zijn kopjes thee “nattegde”.
Ik kan het niet bewijzen, maar ik weet bijna zeker dat thee die eerst gedrenkt is, voller van smaak is, en in zekere zin ook natter, dan thee die alleen maar gewoontjes getrokken heeft. Zulke thee wordt dan ook – Jan Hanlo wist dat – niet gedronken of genuttigd, maar genattigd, met de a van nat.
Dit is een gedicht van Chris van Geel, uit zijn bundel Enkele gedichten (1973):
Nacht in een theepot
waar water blad,
blad water koestert,
een lichte damp
de tuit verlaat.
We zien een theepot waarin thee staat te trekken. In de theepot is het donker. Er heerst een zekere intimiteit: de theeblaadjes en het theewater koesteren elkaar. Na een tijdje komt er een klein stoomsliertje, “een lichte damp”, omhoog gedreven uit de tuit van de pot.
Het gedicht bevindt zich in de bundel tussen gedichten die zich afspelen in een sfeer van nachtelijke wandelingen. Het is ook mogelijk dat het een verbeelding is van een natuurtafereel, gezien bij een sloot of vijver, met bomen of struiken ernaast. Het is er stil waarschijnlijk, de meeste dieren slapen nog. Er zijn wat bladeren in of op het water gevallen, en boven het water trekt een lichte nevel, of ochtendmist, op.
Gaat het gedicht nu over een sloot of over een theepot? De vraag doet er niet toe, lijkt mij, want Van Geel laat beide werelden hier juist met opzet in elkaar overlopen. De alledaagse theepot wordt daardoor een wat geheimzinnige plek waar zich in het donker, onzichtbaar voor ons, van alles kan afspelen. En omgekeerd neemt die stille sloot in de nacht de trekken aan van een vertrouwde en behaaglijke plek, een warm nest.
De meeste lezers zullen zich hier wel iets bij voor kunnen stellen. M. Vasalis en Renate Rubinstein lazen het als een tafereel waarin het, vrij zeldzaam voor Van Geel, nu eens goed afloopt. Aan het slot verlaat een lichte damp de tuit – dat riep bij hen een gevoel van opluchting en bevrijding op.
Maar het kan ook anders. Van Geels vriend J. Offerhaus zag er geen braaf huiselijk, maar een erotisch beeld in. Hij vond het gedichtje “veel te opwindend”, zo schreef hij de dichter, zeker voor de vrijgezel die hij was, “die alleen in bed ligt, handjes boven de deken, en werken moet”. Hij legde zijn opwinding verder niet uit, maar we kunnen ons er wel iets bij voorstellen: nacht, man alleen in bed, broeiende gedachten, gisting in de erogene zone – totdat “een lichte damp / de tuit verlaat.” Voor Van Geel zelf, erg bedreven in seksueel duiden, vooral ook van zijn eigen beelden, was deze lezing nieuw. “Voor een zo dirty mind als de mijne was je erotische implicatie een verrassing”, schreef hij Offerhaus terug. Maar hij kon zich er wel in vinden: “Heel juist, heel goed, het verstevigt alleen maar de bedoelde (warme) intimiteit.”
De titel van het gedicht is opmerkelijk: ‘Thee drenken’. Geen zetfout. Bij het woord drenken veert de gemiddelde taalkundige vanzelf op, want dat is het moment om het even over een causatief te kunnen hebben. Een causatief is een oorzakelijk werkwoord, een werkwoord dat het doen of laten gebeuren van een handeling uitdrukt. Zo is vellen de causatief van vallen: vellen betekent ‘doen vallen’. Leggen: ‘doen liggen’. Zogen: ‘laten zuigen’. En zo is drenken de causatief van drinken. Drenken betekent ‘laten drinken’, ‘te drinken geven’ of ‘doortrekken met een vloeistof’. Het gedicht van Van Geel gaat niet over thee drinken, maar over thee drenken: het proces waarin de theebladeren vocht opnemen, water drinken als het ware, doordrenkt raken met water. De meeste mensen zeggen in zo’n geval dat de thee staat te trekken.
De keuze voor de titel is beter te begrijpen als we weten dat Van Geel een liefhebber was van het werk van Jan Hanlo, bijvoorbeeld van diens stukje ‘Verstreuid theezetten ofwel gedreumd theedrenken’. Daarin laat hij een deftig heerschap in zijn fonetisch uitgeschreven deftige taaltje beschrijven wat hem onlangs is overkomen. “Jae, die verstreuidheed van mee was laetst beenae vermaekelek. Hoewel, men zoo haest aen verkalkeng raen danken.” Hij vertelt dat hij er na het zetten van de thee achter was gekomen “dat ek helemael vergeten had de thee te drenken”. Hij had zich toen genoodzaakt gezien een nieuwe pot thee te zetten, “met een vers theeebeultje”, waarna hij alsnog zijn kopjes thee “nattegde”.
Ik kan het niet bewijzen, maar ik weet bijna zeker dat thee die eerst gedrenkt is, voller van smaak is, en in zekere zin ook natter, dan thee die alleen maar gewoontjes getrokken heeft. Zulke thee wordt dan ook – Jan Hanlo wist dat – niet gedronken of genuttigd, maar genattigd, met de a van nat.

Reacties
Een reactie posten