.
Chris van Geel had de gewoonte om laat op te staan en dan meteen aan het werk te gaan, zo schreef Elly de Waard in haar portret van hem. Pas aan het eind van de middag, na een hele dag gedichten schrijven, en brieven, ging hij zich wassen en aankleden. Bij het wassen en aankleden
“liep hij onbekommerd door het huis – hij was verademend onpreuts – en zong of declameerde hij luid en opgewekt. De voordracht behelsde rijmpjes in de trant van: ‘Goedemorgen, juffrouw Beuker, hier is de nieuwe kippenneuker!’ of ‘Kijk eens even, de kwestie is deze, geen kinderen en toch te kezen!’, waarna hij weer in dat aanstekelijke gelach kon uitbarsten.”
Ook zong hij liedjes, of regels uit liedjes:
“De liedjes die hij zong konden onverwacht afkomstig blijken te zijn uit een musical uit de jaren twintig, waarvan bijvoorbeeld de volgende frase hem was bijgebleven: ‘Mooie zus, mooie zus, van de autobus, kind wat ruik je toch weer lekker naar benziéééne…’ Daarbij voerde hij soms dansen uit met de handdoek die konden variëren van woest krijgsgedans tot een pirouette.”
De gezongen regel in kwestie komt niet uit een musical, en ook niet uit de jaren twintig, maar uit een lied van Kees Pruis uit 1934. Daarin begint de zanger te vertellen over wat hem de laatste tijd is opgevallen in het openbaar vervoer: “In de autobussen die van A naar B toe rijden, / zijn tegenwoordig nog alleen maar conductrices.” In het laatste woord rekt hij de klemtoon op de i nog eens extra op, zodat het wat jennerig gaat klinken. Hoe zou dat zo gekomen zijn? “Of ze veel goedkoper zijn dan conducteurs, dat weet ik niet, / ’t is misschien wel ten gevolge van de crisis.” En ook de eerste lettergreep van dat laatste woord rekt hij flink op, zodat het rijm met ‘conductríe-íe-ces’ volop benadrukt wordt, en er ook over dat nieuwe woord iets snerends komt te hangen: die ellendige ‘críe-íe-sis’, waarover we de hele dag door al zoveel te horen krijgen. Want het ging in 1934 niet goed met de economie. De jaren dertig waren ‘de crisisjaren’.
Maar gelukkig is daar, ter afleiding, de fijne verschijning op de bus van steeds meer conductrices. De zanger heeft vooral oog voor één bepaalde “slanke blonde”, gekleed in een “koket” uniformjasje en een pet waar haar krullen leuk onderuit springen. Hij gebruikt het woord niet, maar wij voelen meteen aan wat hier aan de hand is: hij is smoorverliefd op haar. “Ik laat als het nodig is / een bus of vier voorbijgaan. / (…) Ik wil voor die schat / wel uren in de rij staan.” Als hij dan eindelijk na lang wachten zijn doel bereikt heeft, zit hij “knus / bij haar in de autobus”, en zingt voor ons het aanstekelijke refrein dat hij in het echt ook wel voor haar zou willen zingen:
Fijne zus, fijne zus,
uit de autobus,
kind wat ruik je toch weer lekker
naar benzine!
De i van benzine wordt weer lang opgerekt, zodat over vele regels heen een rijmend verband wordt gelegd met de crie-ie-sis en de conductrie-ie-ces uit het begin.
Dat benzine lekker ruikt, weet iedereen, maar in deze context van verliefdheid is het toch wel verrassend. Bij ontluikende liefde hoort volgens de klassieke romantische opvatting de geur van bloemen: van jasmijn, rozen of viooltjes – niet die van motorolie of benzine. Hier vinden we, honderd jaar na Baudelaire (Les fleurs du mal, ‘De bloemen van het kwaad’), nog een echo van de zwarte romantiek, met zijn verheerlijking van de grote stad, de industrie en de anti-esthetiek.
Hoe gaat deze verliefdheid aflopen? In het middendeel van het lied blijkt dat er een concurrent in het spel is: de chauffeur van de bus. Die is niet erg gediend van de avances van de zanger. Telkens als hij een afspraakje met de conductrice wil maken, laat de chauffeur “zijn claxon brullend loeien”. Of hij rijdt de bus juist dan expres door een kuil – “hij weet iedere keer mijn kansen te verknoeien.” De zanger blijft met volle overgave in gedachten zijn lied zingen voor de fijne zus uit de autobus, maar intussen is de eerste twijfel al gezaaid.
In het derde en laatste deel neemt het lied een dramatische wending. Op een dag moet de zanger tot zijn schrik vaststellen dat de conductrice afwezig is. En de chauffeur van de bus ook! Een medepassagier weet hem subtiel te melden dat hem bij het stadhuis meer duidelijk zal worden. Daar ziet onze zanger dat de blonde slanke zojuist in het huwelijk is getreden met die ellendige buschauffeur, die hem in het voorbijgaan ook nog eens snerend bedankt voor zijn vele gulle fooien voor de knappe conductrice – die hebben ze goed weten te gebruiken bij de inrichting van hun huis.
De zanger kan niet anders dan zich diepongelukkig voelen. Maar zijn liefde voor de conductrice wint het van zijn verslagenheid, en dus zingt hij tot slot nog eenmaal zijn aanstekelijke refrein:
Fijne zus, fijne zus,
uit de autobus,
kind wat ruik je toch weer lekker
naar benzine!
Op ‘benzíene’ rijmt tot slot deze wens: “Ik zou met jou wel eens een avond willen kíenen!” Ook die regel zal Van Geel met instemming hebben aangehoord – en misschien ook wel hardop hebben meegezongen.
‘Kienen’ is het crisisjarenwoord voor wat nu ‘bingo’ heet, het spel met de nummertjes. Maar het werd toen ook gebruikt voor een heel ander spel met nummertjes: een nummertje maken. Zo kent Van Dale het ook: “‘kienen’, tweede betekenis, informeel: geslachtsgemeenschap hebben (met iemand)”. Het Bargoens Woordenboek van Enno Endt en Lieneke Frerichs, dat Van Geel heel goed kende, noemt deze betekenis ook: “‘kienen’, het spel der (geslachtelijke) liefde spelen. Voorbeeld (in een dubbelzinnige revue-tekst:) ‘Ik wil wel met je kienen maar me cente krijg je niet’.”
(Bewerking van ‘De taal van Kees Pruis’, in Onze Taal, mei 2018)
Chris van Geel had de gewoonte om laat op te staan en dan meteen aan het werk te gaan, zo schreef Elly de Waard in haar portret van hem. Pas aan het eind van de middag, na een hele dag gedichten schrijven, en brieven, ging hij zich wassen en aankleden. Bij het wassen en aankleden
“liep hij onbekommerd door het huis – hij was verademend onpreuts – en zong of declameerde hij luid en opgewekt. De voordracht behelsde rijmpjes in de trant van: ‘Goedemorgen, juffrouw Beuker, hier is de nieuwe kippenneuker!’ of ‘Kijk eens even, de kwestie is deze, geen kinderen en toch te kezen!’, waarna hij weer in dat aanstekelijke gelach kon uitbarsten.”
Ook zong hij liedjes, of regels uit liedjes:
“De liedjes die hij zong konden onverwacht afkomstig blijken te zijn uit een musical uit de jaren twintig, waarvan bijvoorbeeld de volgende frase hem was bijgebleven: ‘Mooie zus, mooie zus, van de autobus, kind wat ruik je toch weer lekker naar benziéééne…’ Daarbij voerde hij soms dansen uit met de handdoek die konden variëren van woest krijgsgedans tot een pirouette.”
De gezongen regel in kwestie komt niet uit een musical, en ook niet uit de jaren twintig, maar uit een lied van Kees Pruis uit 1934. Daarin begint de zanger te vertellen over wat hem de laatste tijd is opgevallen in het openbaar vervoer: “In de autobussen die van A naar B toe rijden, / zijn tegenwoordig nog alleen maar conductrices.” In het laatste woord rekt hij de klemtoon op de i nog eens extra op, zodat het wat jennerig gaat klinken. Hoe zou dat zo gekomen zijn? “Of ze veel goedkoper zijn dan conducteurs, dat weet ik niet, / ’t is misschien wel ten gevolge van de crisis.” En ook de eerste lettergreep van dat laatste woord rekt hij flink op, zodat het rijm met ‘conductríe-íe-ces’ volop benadrukt wordt, en er ook over dat nieuwe woord iets snerends komt te hangen: die ellendige ‘críe-íe-sis’, waarover we de hele dag door al zoveel te horen krijgen. Want het ging in 1934 niet goed met de economie. De jaren dertig waren ‘de crisisjaren’.
Maar gelukkig is daar, ter afleiding, de fijne verschijning op de bus van steeds meer conductrices. De zanger heeft vooral oog voor één bepaalde “slanke blonde”, gekleed in een “koket” uniformjasje en een pet waar haar krullen leuk onderuit springen. Hij gebruikt het woord niet, maar wij voelen meteen aan wat hier aan de hand is: hij is smoorverliefd op haar. “Ik laat als het nodig is / een bus of vier voorbijgaan. / (…) Ik wil voor die schat / wel uren in de rij staan.” Als hij dan eindelijk na lang wachten zijn doel bereikt heeft, zit hij “knus / bij haar in de autobus”, en zingt voor ons het aanstekelijke refrein dat hij in het echt ook wel voor haar zou willen zingen:
Fijne zus, fijne zus,
uit de autobus,
kind wat ruik je toch weer lekker
naar benzine!
De i van benzine wordt weer lang opgerekt, zodat over vele regels heen een rijmend verband wordt gelegd met de crie-ie-sis en de conductrie-ie-ces uit het begin.
Dat benzine lekker ruikt, weet iedereen, maar in deze context van verliefdheid is het toch wel verrassend. Bij ontluikende liefde hoort volgens de klassieke romantische opvatting de geur van bloemen: van jasmijn, rozen of viooltjes – niet die van motorolie of benzine. Hier vinden we, honderd jaar na Baudelaire (Les fleurs du mal, ‘De bloemen van het kwaad’), nog een echo van de zwarte romantiek, met zijn verheerlijking van de grote stad, de industrie en de anti-esthetiek.
Hoe gaat deze verliefdheid aflopen? In het middendeel van het lied blijkt dat er een concurrent in het spel is: de chauffeur van de bus. Die is niet erg gediend van de avances van de zanger. Telkens als hij een afspraakje met de conductrice wil maken, laat de chauffeur “zijn claxon brullend loeien”. Of hij rijdt de bus juist dan expres door een kuil – “hij weet iedere keer mijn kansen te verknoeien.” De zanger blijft met volle overgave in gedachten zijn lied zingen voor de fijne zus uit de autobus, maar intussen is de eerste twijfel al gezaaid.
In het derde en laatste deel neemt het lied een dramatische wending. Op een dag moet de zanger tot zijn schrik vaststellen dat de conductrice afwezig is. En de chauffeur van de bus ook! Een medepassagier weet hem subtiel te melden dat hem bij het stadhuis meer duidelijk zal worden. Daar ziet onze zanger dat de blonde slanke zojuist in het huwelijk is getreden met die ellendige buschauffeur, die hem in het voorbijgaan ook nog eens snerend bedankt voor zijn vele gulle fooien voor de knappe conductrice – die hebben ze goed weten te gebruiken bij de inrichting van hun huis.
De zanger kan niet anders dan zich diepongelukkig voelen. Maar zijn liefde voor de conductrice wint het van zijn verslagenheid, en dus zingt hij tot slot nog eenmaal zijn aanstekelijke refrein:
Fijne zus, fijne zus,
uit de autobus,
kind wat ruik je toch weer lekker
naar benzine!
Op ‘benzíene’ rijmt tot slot deze wens: “Ik zou met jou wel eens een avond willen kíenen!” Ook die regel zal Van Geel met instemming hebben aangehoord – en misschien ook wel hardop hebben meegezongen.
‘Kienen’ is het crisisjarenwoord voor wat nu ‘bingo’ heet, het spel met de nummertjes. Maar het werd toen ook gebruikt voor een heel ander spel met nummertjes: een nummertje maken. Zo kent Van Dale het ook: “‘kienen’, tweede betekenis, informeel: geslachtsgemeenschap hebben (met iemand)”. Het Bargoens Woordenboek van Enno Endt en Lieneke Frerichs, dat Van Geel heel goed kende, noemt deze betekenis ook: “‘kienen’, het spel der (geslachtelijke) liefde spelen. Voorbeeld (in een dubbelzinnige revue-tekst:) ‘Ik wil wel met je kienen maar me cente krijg je niet’.”
(Bewerking van ‘De taal van Kees Pruis’, in Onze Taal, mei 2018)

Reacties
Een reactie posten