Doorgaan naar hoofdcontent

Vliegje

.
Chris van Geel was “een ongelooflijk bijzonder persoon”, vertelde Thérèse Cornips, in haar boek met herinneringen aan de dichter met wie ze tien jaar lang samenleefde, in Groet, tussen 1952 en 1962. Hij was in alles “een leuke geest”, en “alles wat hij zei was bijzonder.”
       Zo beschreef ze hem: “Hij was voor geen gat te vangen, op geen enkele wijze; clichés waren hem helemaal vreemd.” Als voorbeeld van zijn originele gedrag vertelde ze het verhaal over het vliegje in het oor van Van Geel:

“We gingen een keer naar de fietsenmaker in Catrijp, helemaal aan het eind van de middag, om een gerepareerde fiets op te halen. Die fietsenmaker woonde met zijn vrouw en zoon in een klein huisje. Aan de zijkant van het huisje zat de voordeur, en in die voordeur zat zo’n kijkdeurtje.
       We hadden de fiets opgehaald en het deurtje was net dicht gegaan, toen Chris een vliegje in zijn oor kreeg. Hij was daar erg van onder de indruk, want dat gonsde zo. Hij klopte weer op dat deurtje en die zoon deed opnieuw open. Op de mededeling van Chris dat hij een mugje in zijn oor had, keek de jongen hem heel schaapachtig aan. Chris liet hem luisteren naar het geluid van het gonzen, maar die jongen kon echt niets horen en keek nog schaapachtiger.
       Toen we thuis waren, was het vliegje er nog steeds en zijn we doorgefietst naar Warmenhuizen, naar dokter Van Hesteren. Die begon dat oor te spoelen, maar er kwam niets uit, dus hij geloofde het ook niet echt. En ik zelf begon ook te twijfelen. Maar verdomd, op het allerlaatst dreef er toch een verzopen vliegje in dat water.”

Reacties

Populaire posts van deze blog

Lente

. In  Spinroc en andere verzen  (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen weinig compacte, spreektalige stijl:        LENTE ’57        Voor wat het mooie weer verstoort,        het ritselen van dorre bladeren, de wind,        de grijze veren aan de horizon,        ben ik een stal met open deuren        om in te rijden, uit te rijden,        het nadenken een bergplaats.        Voor zon heb ik geen oog,        zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar        en speelt haar sluiers eindeloos.   ...

Krispijn

. De dichter Chr.J. van Geel was al 41 jaar oud toen hij, in 1958, debuteerde, met een dikke bundel: Spinroc en andere verzen , 148 pagina’s. In de jaren daarvoor had hij al veel gedichten geschreven, maar zonder daarvan iets te publiceren. Van Geel was erg kritisch op zichzelf, en onzeker – wat in dit geval vermoedelijk wel hetzelfde is. Hij kon erg goed twijfelen.        Zijn vriend Enno Endt en zijn levensgezel Thérèse Cornips stelden in 1955 daarom, zonder dat hij het wist, een strenge bloemlezing samen uit alle gedichten die zij op dat moment voorgelegd hadden gekregen: 78 gedichten die zij goed genoeg vonden voor publicatie en waarvan zij dachten dat Van Geel dat eigenlijk ook wel vond. Enno Endt schreef ze allemaal met de hand over in twee schoolschriften. De titel voor deze stiekem uitgekozen gedichten was Roofdruk , de vakterm voor een uitgave waarvan de auteur geen weet heeft. Ze legden de twee schriften voor aan enkele uitgevers, maar het k...

Gandhi

. In zijn column van afgelopen maandag op de opiniepagina van NRC haalde Stephan Sanders een gesprekje aan tussen een journalist en Mahatma Gandhi (1869-1948). Gandhi was, kort gezegd, de man die Brits-Indië voorging in de geweldloze bevrijding van de koloniale bezetter. In 1947 werd India onafhankelijk. Gandhi had zo zijn gedachten over de cultuur van de westerlingen, zoals blijkt uit dit korte gesprek:        – En wat denkt u van de westerse beschaving?        – Ik denk dat het een goed idee zou zijn. De kenner van het werk van Chr.J. van Geel zal dit citaat bekend voorkomen. In januari 1968 nam Barbarber deze tekst van hem op:        INTERVIEW MET GANDI        – Wat denkt u van de europese kultuur?        – Een goed idee. Van Geel zal het ergens in een krant of tijdschrift zijn tegengekomen en hij z...