. Chris van Geel had een moeizame verhouding met zijn uitgever Geert van Oorschot. Dat gold voor wel meer dichters en schrijvers uit diens fonds. Het lag natuurlijk ook aan Van Geel zelf. De twee lagen elkaar niet. “Geert vindt me, geloof ik, te introvert, te asociaal, geen ‘warme menselijkheid’ weet je wel”, schreef Van Geel aan Judith Herzberg, in een brief van 1 oktober 1966. Het uitgeven van poëzie levert zelden winst op, zoals bekend. De meeste dichters schrijven geen bestsellers, en de meeste dichters zullen dan ook voortdurend licht bevreesd zijn dat hun volgende bundel niet meer uitgegeven gaat worden. Maar zo wilde Van Geel het niet zien. Hij wist wat hij kon, en hij had zijn trots. In 1966 was hij nog steeds de dichter van maar één dichtbundel, verschenen in 1958, en die was toen nog lang niet uitverkocht. Hij wist niet zeker of Van Oorschot zijn tweede bundel zou accepteren. Maar hij wist...
. Chris van Geel voegde aan zijn brieven vaak nieuwe gedichten toe. Zo ook op zondag 29 september 1963, bij een brief aan Judith Herzberg en Huyck van Leeuwen. “Nog een somber versje om somber te eindigen in somber weer.” Volgens de weerarchieven was die zondag een grijze najaarsdag: “een gemiddelde, geheel bewolkte dag met een gemiddelde temperatuur van 12.4 ℃.” De luchtvochtigheid was hoog, en er viel her en der wat regen. “Er viel in totaal 4.9 mm neerslag in een periode van 5.7 uur.” Dit is het meegestuurde gedicht: Het web houdt zijn gezicht hol in de wind, de spin heeft het verlaten, sterren staan er in en kou, wind scheurt het van de aarde, van leeggevreten lijken waait het schoon. Het is een desolaat portret van een spinnenweb: verlaten door zijn schepper, nutteloos geworden, aan zijn lot overgelaten. Er...