Doorgaan naar hoofdcontent

Lomp

.
In 1947 kreeg Chris van Geel, samen met nog vijf andere schilders, de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst. Dat was, en is nog steeds, een aanmoedigingsprijs, bedoeld voor beeldend kunstenaars tot vijfendertig jaar. De prijs, in 1871 al ingesteld door koning Willem III, wordt elk jaar uitgereikt in het Paleis op de Dam in Amsterdam, door de koning of koningin.

In zijn prozastukje ‘Mijn relaties tot het koninklijk huis’ (Barbarber, september 1968) herinnerde Van Geel zich later hoe hij in het najaar van 1947 “in de prachtige Burgerzaal voorgesteld werd aan H.M.”. H.M., Hare Majesteit, was niet de regerende vorstin Wilhelmina, die toen tijdelijk het koninklijk gezag had neergelegd, maar haar dochter Juliana, die haar moeder officieel pas zou opvolgen op 4 september 1948.

Van de ontvangst in het Paleis herinnerde Van Geel zich ook nog dat Hare Majesteit “aan ons, schilders, de vraag [stelde] hoe de toekomst van de kunst zou zijn.” Het is, zou men kunnen zeggen, een boeiende vraag, waarop het antwoord niet eenvoudig is te geven. Het was ene Van Dam (niet een van de zes schilders) die haar antwoordde:

“Als Napoleon had geweten waar alles naar toe leidde, Mevrouw, was hij er nooit aan begonnen.”

Mogelijk voelde Van Geel, van nature bepaald geen receptietijger, zich door de aldus gevoerde conversatie iets meer op zijn gemak. Maar het kan ook zijn dat hij, juist om zich wat meer op zijn gemak te voelen, behoefte kreeg aan een sigaret:

“Bij die gelegenheid nam ik een van de sigaretten van tafel die daar onbekrompen op glazen schalen lagen naast bekers vol sigaren en stak hem op. Onmiddellijk nam de Koningin de schaal en deelde aan de heren rond. Ook zelf nam ze een rokertje. Natuurlijk, ik was weer lomp geweest, men moet wachten tot de gastvrouw aanbiedt!”

• Chris van Geel in zijn atelierwoning in Groet (circa 1950-1955).

Reacties

Populaire posts van deze blog

Krispijn

. De dichter Chr.J. van Geel was al 41 jaar oud toen hij, in 1958, debuteerde, met een dikke bundel: Spinroc en andere verzen , 148 pagina’s. In de jaren daarvoor had hij al veel gedichten geschreven, maar zonder daarvan iets te publiceren. Van Geel was erg kritisch op zichzelf, en onzeker – wat in dit geval vermoedelijk wel hetzelfde is. Hij kon erg goed twijfelen.        Zijn vriend Enno Endt en zijn levensgezel Thérèse Cornips stelden in 1955 daarom, zonder dat hij het wist, een strenge bloemlezing samen uit alle gedichten die zij op dat moment voorgelegd hadden gekregen: 78 gedichten die zij goed genoeg vonden voor publicatie en waarvan zij dachten dat Van Geel dat eigenlijk ook wel vond. Enno Endt schreef ze allemaal met de hand over in twee schoolschriften. De titel voor deze stiekem uitgekozen gedichten was Roofdruk , de vakterm voor een uitgave waarvan de auteur geen weet heeft. Ze legden de twee schriften voor aan enkele uitgevers, maar het k...

Gandhi

. In zijn column van afgelopen maandag op de opiniepagina van NRC haalde Stephan Sanders een gesprekje aan tussen een journalist en Mahatma Gandhi (1869-1948). Gandhi was, kort gezegd, de man die Brits-Indië voorging in de geweldloze bevrijding van de koloniale bezetter. In 1947 werd India onafhankelijk. Gandhi had zo zijn gedachten over de cultuur van de westerlingen, zoals blijkt uit dit korte gesprek:        – En wat denkt u van de westerse beschaving?        – Ik denk dat het een goed idee zou zijn. De kenner van het werk van Chr.J. van Geel zal dit citaat bekend voorkomen. In januari 1968 nam Barbarber deze tekst van hem op:        INTERVIEW MET GANDI        – Wat denkt u van de europese kultuur?        – Een goed idee. Van Geel zal het ergens in een krant of tijdschrift zijn tegengekomen en hij z...

Consi

. Chris van Geel (1917-1974) woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam, aan de Herengracht, hoek Amstel, even zijde, nummer 598. Natuurlijk had hij het moeilijk, zoals iedereen. Tijdens de Hongerwinter werd het ook voor hem steeds lastiger om nog aan voedsel te komen. Van Geel, al lang en dun van zichzelf, werd nu helemaal een broodmagere verschijning.        Eén keer in de week mocht hij komen eten bij de familie Heijdenrijk, bekend van de firma Heijdenrijk, de lijstenmakerij. De Heijdenrijks hadden een paar adressen waar hij ook af en toe kon aanschuiven. “Zo kwam ik de week wel door, zij het met moeite”, vertelde hij later aan G. Brands. Maar de nood was hoog. “Ten slotte betaalde ik ook 5 gulden voor een sigaret, een Consi, bij een portier op het Thorbeckeplein.”        Consi leek mij de naam van een Engels of Amerikaans sigarettenmerk. Het zuiden van Nederland was in het najaar van 1944 al bevrijd. Daa...