Doorgaan naar hoofdcontent

Sneeuw

.
Als het heeft gesneeuwd, en het vriest, dan blijft de sneeuw liggen. Als de vorst heel lang aanhoudt, gaat de sneeuwlaag krimpen. De sneeuw wordt hard en droog en korrelig. Dat is wat Chris van Geel gezien moet hebben, in en om zijn woonplaats Groet, in februari 1955:

       FEBR. ’55

       Reeds weken ligt de sneeuw met opgetrokken lippen
       te krimpen in de wind, te drogen aan zijn dorst.
       Hij sterft niet aan de dooi, hij sterft aan de vorst.
       Er stuiven korrels van zijn huid om te gaan drinken.

De sneeuw krijgt hier trekken van een dier, of van een mens. Het is een aangrijpend portret van een stervende, gestrand in de sneeuw en de vrieskou, niet meer in staat om zich te bewegen. Hij ligt er “met opgetrokken lippen”. Hij krimpt. Hij moet, totaal uitgedroogd, drinken, maar er is niets te drinken – daarvoor is de sneeuwlaag te hard en te droog.
       In een normale Hollandse winter zou de sneeuw na verloop van tijd vanzelf te drinken krijgen: als de temperatuur langzaam weer gaat stijgen, en de sneeuw gaat smelten. Dan zou de sneeuw zijn dorst weer kunnen lessen, al zou dat dan ook meteen, paradoxaal genoeg, zijn dood betekenen: want voor sneeuw staat smelten gelijk aan sterven. Maar in deze lange periode van vrieskou is er helemaal geen zicht op dooi. Deze sneeuw “sterft niet aan de dooi”, hij zal gaan sterven “aan de vorst”.
       Wat kan de stervende sneeuw nog doen om zijn dood uit te stellen? Hij heeft de hulp van de wind nodig: die neemt een paar harde gevriesdroogde sneeuwvlokken mee. Deze sneeuwkorrels gaan op zoek naar drinken, in wat een laatste reddingspoging lijkt. Het beeld van de in sneeuw vastgelopen en vastgevroren sneeuw doet denken aan een gestrande poolexpeditie die vast is komen te zitten in een witte bevroren ijskoude wereld waar een ijskoude wind waait. De stuivende korrels zijn de laatste overgebleven poolreizigers die nu het schip verlaten om, met hun laatste krachten, op zoek te gaan naar redding.

Is dit nu een voorbeeld van verrassende beeldspraak, of is het allemaal wat te ingewikkeld en gekunsteld? Dat is altijd een kwestie van smaak. En misschien ook wel van tijdgeest. In 1958 vond Simon Vestdijk dit, in zijn bespreking van Spinroc en andere verzen, een van de “voluit geslaagde gedichten” uit de bundel, “een der blijken van het samengaan van genadeloze observatie en subtiele vermenselijking, die Van Geel’s natuurtaferelen zo dikwijls kenmerken.”

De titel zegt ons nu niets meer, maar was aan het eind van de jaren vijftig voor de gemiddelde lezer vermoedelijk nog wel een betekenisvolle verwijzing naar de koude februarimaand van 1955, met een gemiddelde maandtemperatuur van slechts 0,1 graad Celsius, zoals uit de website Weerverleden.nl valt af te leiden. In die maand kwam het tot matige tot strenge vorst, met ijsdagen waarop de temperatuur ook overdag onder het vriespunt bleef.

Voor Van Geel zelf zal de vermelding van de maand en het jaar ook een andere betekenis hebben gehad. In de winter van 1954-1955 hield Thérèse Cornips, met wie hij sinds het najaar van 1952 samenleefde, het niet langer met hem uit – vanwege zijn dwingende karakter, zijn voortdurende beroep op haar tijd en aandacht en zijn enorme driftbuien. Zij ging voor het eerst bij hem weg, en dook onder in Amsterdam.
       Van Geel was iemand die niet voor zichzelf kon zorgen. Hij werd radeloos in zijn eentje, en hij ging eraan onderdoor. Hij droogde op, hij verschrompelde, hij voelde zich midden in de winter eenzaam en alleen en aan zijn lot overgelaten. Hij lag daar in de kou langzaam te versterven, “met opgetrokken lippen”, net als de sneeuw rondom zijn huis in die koude februarimaand.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Krispijn

. De dichter Chr.J. van Geel was al 41 jaar oud toen hij, in 1958, debuteerde, met een dikke bundel: Spinroc en andere verzen , 148 pagina’s. In de jaren daarvoor had hij al veel gedichten geschreven, maar zonder daarvan iets te publiceren. Van Geel was erg kritisch op zichzelf, en onzeker – wat in dit geval vermoedelijk wel hetzelfde is. Hij kon erg goed twijfelen.        Zijn vriend Enno Endt en zijn levensgezel Thérèse Cornips stelden in 1955 daarom, zonder dat hij het wist, een strenge bloemlezing samen uit alle gedichten die zij op dat moment voorgelegd hadden gekregen: 78 gedichten die zij goed genoeg vonden voor publicatie en waarvan zij dachten dat Van Geel dat eigenlijk ook wel vond. Enno Endt schreef ze allemaal met de hand over in twee schoolschriften. De titel voor deze stiekem uitgekozen gedichten was Roofdruk , de vakterm voor een uitgave waarvan de auteur geen weet heeft. Ze legden de twee schriften voor aan enkele uitgevers, maar het k...

Gandhi

. In zijn column van afgelopen maandag op de opiniepagina van NRC haalde Stephan Sanders een gesprekje aan tussen een journalist en Mahatma Gandhi (1869-1948). Gandhi was, kort gezegd, de man die Brits-Indië voorging in de geweldloze bevrijding van de koloniale bezetter. In 1947 werd India onafhankelijk. Gandhi had zo zijn gedachten over de cultuur van de westerlingen, zoals blijkt uit dit korte gesprek:        – En wat denkt u van de westerse beschaving?        – Ik denk dat het een goed idee zou zijn. De kenner van het werk van Chr.J. van Geel zal dit citaat bekend voorkomen. In januari 1968 nam Barbarber deze tekst van hem op:        INTERVIEW MET GANDI        – Wat denkt u van de europese kultuur?        – Een goed idee. Van Geel zal het ergens in een krant of tijdschrift zijn tegengekomen en hij z...

Consi

. Chris van Geel (1917-1974) woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam, aan de Herengracht, hoek Amstel, even zijde, nummer 598. Natuurlijk had hij het moeilijk, zoals iedereen. Tijdens de Hongerwinter werd het ook voor hem steeds lastiger om nog aan voedsel te komen. Van Geel, al lang en dun van zichzelf, werd nu helemaal een broodmagere verschijning.        Eén keer in de week mocht hij komen eten bij de familie Heijdenrijk, bekend van de firma Heijdenrijk, de lijstenmakerij. De Heijdenrijks hadden een paar adressen waar hij ook af en toe kon aanschuiven. “Zo kwam ik de week wel door, zij het met moeite”, vertelde hij later aan G. Brands. Maar de nood was hoog. “Ten slotte betaalde ik ook 5 gulden voor een sigaret, een Consi, bij een portier op het Thorbeckeplein.”        Consi leek mij de naam van een Engels of Amerikaans sigarettenmerk. Het zuiden van Nederland was in het najaar van 1944 al bevrijd. Daa...