Doorgaan naar hoofdcontent

Burgermansgeluk

.
Bij dit gedicht van Chris van Geel heb ik mij altijd wat ongemakkelijk gevoeld:

       ZWANEN

       Je wilt op veren met ze mee
       en je besluit ze brood te geven.

Het is te vinden in de bundel Enkele gedichten (1973). Misschien valt er wel iets moois over te zeggen, maar voor mijn gevoel is het maar een zwak versje.
       Er zit een tegenstelling in. Aan de ene kant: willen vluchten uit de dagelijkse realiteit, willen wegdrijven of wegvliegen, de vrijheid tegemoet – de vrijheid van zwanen, en misschien ook nog wel de vrijheid van poëzie. De zwaan is het klassieke symbool voor de dichter.
       Daartegenover: de gemakkelijke, brave, burgerlijke oplossing ze voorlopig eerst maar eens een stuk brood te gaan voeren.

Dit is er ook zo een waaraan ik nooit heb kunnen wennen. Uit dezelfde bundel, twee bladzijden verder:

       VOEREN

       Met niets ben ik zozeer alleen
       als met het donker in mijn zak
       waarin een witte boterham
       op zoek naar zwanen in de nacht.

Ook hier weer een tegenstelling: een donkere zak tegenover een witte boterham, witte zwanen tegenover een donkere nacht. En mogelijk ook weer wat symboliek: met de witte boterham is misschien verwezen naar een wit onbeschreven vel papier, en de zwanen vertegenwoordigen dan de poëzie? Maar de toon is mij te stellig, en te sentimenteel (“Met niets ben ik zozeer alleen”) voor dit simpele tafereel.

Het zijn eenvoudige parkgedichten. Je kunt er volgens mij aan zien dat de dichter na het afbranden van zijn huis in de duinen bij Groet, in februari 1972, noodgedwongen een jaar in een rechttoe rechtaan nieuwbouwhuis met een achtertuin en een sloot in Bergen heeft moeten wonen. Daar leefde hij in de overzichtelijke wereld van “een paar vierkante kant en klare ruimten plus een eendenwater en een zwaan”, zoals hij het achteraf zelf omschreef, in een brief van 3 juli 1973 aan Ser Prop. Daar schreef hij ook een paar van zijn wat al te brave verzen. En brave verzen roepen soms brave oordelen op:

“Mensen die eendjes voeren zijn gelukkige mensen. Zij bezitten, wat wel eens meesmuilend wordt genoemd, een burgermansgeluk. Maar mag het astublieft! En nu is er ineens een dichter in de vaderlandse poëziewereld, die verzen maakt over vlinders, eendjes en vooral zwanen. Hij weet alles van die dieren af, en meer nog. Chr.J. van Geel heeft in de bundel Enkele gedichten stilgestaan bij het verschijnsel ‘zwanen in een vijver’, ‘zwanen bij nacht’, ‘eendjes voeren’ en een ‘vliegende vogel’. Hij maakt deze clichees in het taalgebruik, deze uitgesleten begrippen weer springlevend door er poëzie van te maken.”

Zo begint de bespreking van Koos Vermeeren in De Limburger van 5 januari 1974. Titel: ‘Eendjes voeren met Chr.J. van Geel’. Ondertitel: ‘Nieuw licht op burgermansgeluk.’ Dat krijg je er nu van, van die brood- en boterhamverzen.
       Vermeeren citeert beide gedichten (die toch allebei over zwanen gaan) als handelend over eendjes en eendjes voeren, “het eeuwige tijdverdrijf van bovengenoemde gelukkige mensen.” Het zijn “verrukkelijke, korte gedichtjes” waarin Van Geel “een dimensie toevoegt” aan het eendjes voeren. “Want ook gelukkige mensen kunnen alleen zijn” zo weet Vermeeren.
       Zijn eindoordeel is onverminderd positief: “Chr.J. van Geel heeft met zijn bundel Enkele gedichten een schijnbaar pretentieloze bijdrage willen leveren tot de vaderlandse poëzie anno 1974.”

(Bewerking van ‘Burgermansgeluk’ in ‘Het Van Geel Alfabet. Tweede supplement’, Tirade 384, mei 2000)

• Chris van Geel met eenden en zwanen, achtertuin huis Monnet Nes 3, Bergen N.H., 1972 (foto: Ronald Hoeben).

Reacties

Populaire posts van deze blog

Lente

. In  Spinroc en andere verzen  (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen weinig compacte, spreektalige stijl:        LENTE ’57        Voor wat het mooie weer verstoort,        het ritselen van dorre bladeren, de wind,        de grijze veren aan de horizon,        ben ik een stal met open deuren        om in te rijden, uit te rijden,        het nadenken een bergplaats.        Voor zon heb ik geen oog,        zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar        en speelt haar sluiers eindeloos.   ...

Gandhi

. In zijn column van afgelopen maandag op de opiniepagina van NRC haalde Stephan Sanders een gesprekje aan tussen een journalist en Mahatma Gandhi (1869-1948). Gandhi was, kort gezegd, de man die Brits-Indië voorging in de geweldloze bevrijding van de koloniale bezetter. In 1947 werd India onafhankelijk. Gandhi had zo zijn gedachten over de cultuur van de westerlingen, zoals blijkt uit dit korte gesprek:        – En wat denkt u van de westerse beschaving?        – Ik denk dat het een goed idee zou zijn. De kenner van het werk van Chr.J. van Geel zal dit citaat bekend voorkomen. In januari 1968 nam Barbarber deze tekst van hem op:        INTERVIEW MET GANDI        – Wat denkt u van de europese kultuur?        – Een goed idee. Van Geel zal het ergens in een krant of tijdschrift zijn tegengekomen en hij z...

Krispijn

. De dichter Chr.J. van Geel was al 41 jaar oud toen hij, in 1958, debuteerde, met een dikke bundel: Spinroc en andere verzen , 148 pagina’s. In de jaren daarvoor had hij al veel gedichten geschreven, maar zonder daarvan iets te publiceren. Van Geel was erg kritisch op zichzelf, en onzeker – wat in dit geval vermoedelijk wel hetzelfde is. Hij kon erg goed twijfelen.        Zijn vriend Enno Endt en zijn levensgezel Thérèse Cornips stelden in 1955 daarom, zonder dat hij het wist, een strenge bloemlezing samen uit alle gedichten die zij op dat moment voorgelegd hadden gekregen: 78 gedichten die zij goed genoeg vonden voor publicatie en waarvan zij dachten dat Van Geel dat eigenlijk ook wel vond. Enno Endt schreef ze allemaal met de hand over in twee schoolschriften. De titel voor deze stiekem uitgekozen gedichten was Roofdruk , de vakterm voor een uitgave waarvan de auteur geen weet heeft. Ze legden de twee schriften voor aan enkele uitgevers, maar het k...