Doorgaan naar hoofdcontent

Belg

.
In januari 1968 verscheen in het tijdschrift Barbarber dit tekstje, ingezonden door Chris van Geel:

       BELG

       Was Alexander de Grote een Belg?

De naslagwerken zijn er duidelijk over, en de AI-tools ook als ik ze dezelfde vraag stel: “Nee, Alexander de Grote was geen Belg.” Ze zeggen dat hij een Macedonische koning was, geboren in 356 v. Chr., in Pella. En ze voegen eraan toe: “België bestond in die tijd trouwens nog helemaal niet — het land ontstond pas in 1830.”
       België heeft sinds zijn ontstaan koningen gehad met vier verschillende namen: Leopold, Albert, Boudewijn en Filip, maar geen Alexander. Er is wel een Belgische príns Alexander geweest (1942-2009). Het zou nog kunnen dat deze Alexander Van Geel door het hoofd speelde toen hij zijn vreemde vraag stelde.
       Hier zouden we het heel goed bij hebben kunnen laten, ware het niet dat Van Geel zich spoedig genoodzaakt zag terug te komen op zijn inzending. In het volgende nummer van Barbarber, februari 1968, liet hij deze toelichting afdrukken:

GEBELGD

J.P. Guépin, schrijver van De mens is een dier maar hij zou het kunnen weten maakt mij erop opmerkzaam dat hij de regel ‘Was Alexander de Grote een Belg?’ tien jaar geleden niet uit mijn mond maar uit die van zijn vrouw dacht te hebben vernomen. In genoemde bundel is deze regel de eerste van het gedicht ‘De teerling over de Rubico geworpen’. Hij luidt daar: ‘Ach, weet ik veel, was Alexander de Grote een Belg?’

De bundel De mens is een dier maar hij zou het kunnen weten verscheen in november 1967. Van Geel, al heel lang bevriend met Guépin, zal de bundel hebben gelezen en bij de bewuste regel een gevoel van herkenning hebben gehad. Was dat niet een regel van hemzelf, van lang geleden? Hij zal er plezier in hebben gehad de regel stilletjes terug te stelen en daarna als eigen bijdrage in te sturen naar Barbarber.
       Maar in Guépins herinnering was het blijkbaar anders gegaan: de regel was niet van Van Geel, maar van Guépins vrouw. Hij zal de bevriende dichter hebben gewezen op deze onterechte toe-eigening. Misschien eiste hij wel een rectificatie. Maar het is ook mogelijk dat het allemaal niet zo serieus werd opgevat – en dat Van Geel het alleen maar grappig vond om er een quasi officiële rectificatie van te maken.

Het gedicht van Guépin is een merkwaardig geval, en helemaal niet gemakkelijk te begrijpen. De titel is een toespeling op “de teerling is geworpen”, “alea iacta est”, de beroemd geworden uitspraak van Julius Caesar toen hij in 49 v.Chr. de rivier de Rubico overstak. Dit is de tekst (regel drie begint inderdaad met een aanhalingsteken, maar het bijbehorende afhalingsteken ontbreekt):

       DE TEERLING OVER DE RUBICO GEWORPEN

       Ach, weet ik veel, was Alexander de Grote een Belg?
       ik zing met de stem van een zonderling:

       ‘Onder de wolken is het toch lelijk weer,
       ik vind mijn boom een bos, één golf nat genoeg,

       en een neef de branding die daar struikelt!
       ik hang mij op aan een wilg als een vrijwilliger;

       het is maar even door de vergulde pil heen bijten,
       Heer, vergeef mijn weldoeners want zij weten niet wat zij doen.

Het is een duister geheel, maar je zou hier en daar wel een verwijzing naar Van Geel kunnen lezen.
       In de karakteristiek “een zonderling” (regel 2) zou Van Geel zich zeker herkend kunnen hebben.
       In regel drie kan “lelijk weer” verwijzen naar de titel, en de inhoud, van het eerste artikel dat Guépin in 1960 over Van Geel schreef, in Propria Cures: ‘Een vriend van lelijk weer’.
       In regel vier klinkt mogelijk een echo mee van deze regel van Van Geel: “Een bang ree in een bos van één boom”.
       In regel zes valt wellicht de woordspelige kant van Van Geel te herkennen: een ‘vrijwilliger’ is iemand die uit vrije wil zijn lier, of zichzelf, aan de wilgen (willigen) hangt.
       Klinkt in “een vergulde pil” de achternaam van de dichter (verguld – vergeeld – van Geel) nog door?
       Met de weldoeners in de slotregel kan verwezen zijn naar de groep van vrienden die Van Geel in zijn armoede af en toe in stilte wat geld toestopten; daaronder was Guépin, en een rijke Eindhovense oom van Guépin. In de formulering klinken de woorden van Jezus door, als hij gekruisigd wordt en zegt: “‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen.” (Luc. 23:34). Het dobbelen sluit dan weer aan bij de teerling (een ander woord voor dobbelsteen) uit de titel. En de naam van de gekruisigde bij de voornaam van de dichter.

Het is allemaal wel wat vergezocht. Maar als Van Geel dit gedicht zo heeft gelezen, als een gedeeltelijk portret van hem, dan zal hij ook daarom misschien hebben gedacht dat hij ooit, lang geleden, de leverancier van de eerste regel was geweest.

Tot zover de onderzoekingen naar aanleiding van de vraag over de mogelijke Belgische nationaliteit van Alexander de Grote. Van Geel vond het leuk om de titel van zijn eerste bijdrage, ‘Belg’, in zijn tweede bijdrage te vervoegen tot ‘Gebelgd’. ‘Gebelgd’ is afgeleid van het werkwoord ‘(zich) belgen’, betekenis ‘(zich) kwaad maken’. Het is ook nog terug te vinden in het bijvoeglijk naamwoord ‘verbolgen’. Iemand die verbolgen, of gebelgd is, is iemand die zich kwaad maakt; hij is boos. Het is niet met zekerheid te zeggen of de ene dichter hier de andere dichter iets verweet. Was J.P. Guépin echt gebelgd?

• Illustratie door ChatGPT

Reacties

Een reactie posten

Populaire posts van deze blog

Lente

. In  Spinroc en andere verzen  (1958), de debuutbundel van Chris van Geel, staat een voor zijn doen nogal lang gedicht, van vijftien regels, verdeeld over drie strofen, in een voor zijn doen weinig compacte, spreektalige stijl:        LENTE ’57        Voor wat het mooie weer verstoort,        het ritselen van dorre bladeren, de wind,        de grijze veren aan de horizon,        ben ik een stal met open deuren        om in te rijden, uit te rijden,        het nadenken een bergplaats.        Voor zon heb ik geen oog,        zij laat mij koud, zij klimt onhandelbaar        en speelt haar sluiers eindeloos.   ...

Het graf gaapt

. “Hij vond me vaak vreselijk lui ”, vertelde Elly de Waard over Chris van Geel, in een interview met Bibeb. De Waard leefde twaalf jaar met hem samen, van december 1962 tot aan zijn dood, in maart 1974. “Maar ik heb me altijd verdedigd. Ik zei dat ik een tijdlang stil zitten en nadenken nodig heb.” Daar had Van Geel geen tijd en geen geduld voor, merkte ze: “Hij had zelf dat calvinistische: ‘Geen tijd verspillen. Opschieten, het graf gaapt ’, zei hij vaak.”        Van Geel, geboren in 1917, was drieëntwintig jaar ouder dan De Waard. Hij had het gevoel in zijn jeugd veel tijd verdaan te hebben. In de oorlog, die begon toen hij tweeëntwintig was, had hij veel tijd verloren, net als zijn generatiegenoten. En hij was laat begonnen met het publiceren van gedichten. Zijn eerste bundel, Spinroc en andere verzen , verscheen pas toen hij veertig was. Het valt te begrijpen dat hij, toen hij dan eenmaal goed op gang gekomen was, het gevoel kreeg zich te moeten...

Kooiobject

. Dit is een foto van een jonge Chris van Geel. Genomen in 1938, vermoedelijk in het voorjaar. Hij was hier twintig jaar oud, en nog helemaal geen dichter. Hij bezocht toen het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam, de voorloper van de Rietveldacademie. De fotograaf was Emiel van Moerkerken. Ze hadden elkaar net leren kennen, en trokken veel met elkaar op. Op de foto zien we een vriendelijke jongeman, in een ontspannen houding lijkt het, en met iets afwachtends, misschien ook wel iets verlegens, in zijn blik. Zijn haar en zijn kleding zijn vermoedelijk modieus voor die tijd: zo zag een jonge kunstenaar er toen uit. Tussen zijn vingers heeft hij losjes een dunne sigaar. En onder zijn arm een aktetas, ook losjes. Het geheel maakt een bestudeerd nonchalante indruk.        Waar zou de foto genomen zijn? De website van de Stichting Chr.J. van Geel geeft als bijschrift: “Van Geel, staande aan de Herengracht in Amsterdam (voor het huis van ...