.
Na het verschijnen van zijn eerste bundel, Spinroc en andere verzen, in juni 1958, begon Chris van Geel na te denken over een opvolger. Zijn gedachten gingen uit naar een bundel waarin hij een gang door het jaar en door de seizoenen zou maken. Zo’n opzet was niet nieuw. In de oudheid deden ze het al. In de middeleeuwen en in de Renaissance ook. En ook daarna: Guido Gezelle schreef een ‘Rijmsnoer om en om het jaar’, Simon Vestdijk een ‘Rondgang door het jaar’, Hugo Claus een ‘Almanak’. Zoiets wilde Van Geel ook, en daarom begon hij zijn maand- en jaargetijdengedichten alvast bij elkaar te brengen. Een tijd lang dacht hij dat die bundel Een Jaar in Holland zou kunnen gaan heten, maar die titel lag, zoals altijd bij hem, nog lang niet vast.
Grote haast was er niet, maar de zaak kwam in een stroomversnelling door zijn contacten met Johan Polak. Die was toen zelf nog geen uitgever, maar hij had al wel de nodige contacten met andere uitgevers. Daarnaast was hij een bibliofiel. Ook verzamelde hij handschriften van dichters. En hij had geld. Hij was daarbij ook nog eens een liefhebber van de gedichten van de toen nog vrijwel onbekende Chris van Geel. Zo kwam het dat hij in die jaren (1958-1962) Van Geel af en toe vroeg om wat gedichten voor hem over te schrijven, in zijn mooie handschrift, tegen een behoorlijke vergoeding. Het was voor de arme dichter Van Geel een eenvoudige manier om toch nog wat geld te verdienen.
Polak had in die tijd contact met de Haagse uitgever L.J.C Boucher. Via Polak kreeg Van Geel het voorstel om daar een kleine bundel uit te geven, in een kleine oplage. Het zou beschouwd kunnen worden als een vooruitgave van een grotere bundel die dan later zou gaan verschijnen bij Van Oorschot, de uitgever van zijn eerste bundel. Uit zijn productie tot op dat moment koos Van Geel eind 1959 eenentwintig gedichten, die grosso modo de gang door een jaar beschreven, van winter tot winter. De titel werd niet Een Jaar in Holland, maar Tussen Seizoenen.
Door allerlei omstandigheden duurde het anderhalf jaar voordat het bundeltje werd gedrukt. In het colofon (‘Naschrift’) viel te lezen:
“‘Tussen Seizoenen’ bevat eenentwintig gedichten uit de nog te verschijnen bundel ‘Het Zinrijk’, voor zover in nov. ’59 gereed.
Gedrukt in februari 1961 in een oplaag van 100 genummerde en gesigneerde exemplaren.
De exemplaren genummerd 1 – 40 zijn gereserveerd voor een liefhebber.”
De liefhebber was Johan Polak. Door nog weer andere omstandigheden werd de bundel vervolgens niet in omloop gebracht. Van Geel had zich in die anderhalf jaar na de inlevering van de kopij al meer dan eens opgewonden over de trage gang van zaken. Hij was (zoals wel vaker) niet tevreden met de vormgeving, het formaat en de typografie. En hij was inmiddels ook niet meer tevreden met de tekst van sommige gedichten. Kort na het gereedkomen ervan besloot hij dat Tussen Seizoenen niet verspreid mocht worden. “De gehele oplage staat in pakpapier met een touw er omheen in zijn kelder”, schreef I. Sitniakowsky in 1968, in een interview met de dichter (Algemeen Handelsblad, 23 november 1968). Van Geel gaf toen als reden: “Ik had intussen veranderingen in de gedichten aangebracht, de vorm was achterhaald.”
In 1972 brandde Van Geels huis in Groet af. Een deel van de oplage van Tussen Seizoenen is na de brand teruggevonden in de kelder onder de puinhopen. Sommige exemplaren waren geheel of gedeeltelijk verkoold, maar andere hadden het overleefd, al waren ze wel allemaal meer of minder gehavend door het bluswater.
Uiteindelijk duurde het tot november 1967 voordat Van Geels tweede grote bundel verscheen, bij Van Oorschot. Hij heette niet Het Zinrijk, zoals in het colofon van Tussen Seizoenen nog was aangekondigd, maar Uit de hoge boom geschreven. (Het Zinrijk zou in 1971 alsnog de titel worden van zijn derde bundel.) Het was niet de jaarkalenderbundel geworden die hij eind jaren vijftig voor ogen had, maar in de derde afdeling ervan, ‘Tussen seizoenen’, was nog wel veel van het oorspronkelijke plan, en van het gelijknamige onverschenen bundeltje, terug te vinden. Die afdeling bestond nu uit eenendertig gedichten. Daarvan maakten er negen deel uit van het bundeltje Tussen Seizoenen.
Ook in deze vorm begint en eindigt de reeks in de winter. Helemaal aan het begin staat een kort gedichtje, van maar twee regels. Meer dan een voorafje, een lyrisch aanhefje, is het niet:
Hoor, hoor, het zal gaan dooien,
de zee ruist dagen–, nachtenlang.
Het lijkt een oproep van de dichter aan de lezer, of van een denkbeeldige zanger aan een denkbeeldige groep luisteraars, om zich aan te sluiten en mee te gaan in het verhaal: hoor, hoor, ik zal u wat gaan vertellen. Of is het een aansporing aan zichzelf: om wakker te worden en in beweging te komen, misschien ook wel bedoeld als een soort opmaat, een eerste uithaal, om te beginnen met dichten? Het is lang winter geweest, het vroor, alles stond stil, maar nu kondigt zich een verandering aan: het gaat dooien, het leven komt weer op gang.
Het lijkt een kort versje om niet al te lang bij stil te staan. Maar als je er wat langer naar kijkt, is het toch wel een merkwaardig geval. Is het niet zo dat de zee altijd ruist, dag en nacht, in alle seizoenen, soms hard, soms misschien wat zachter? Wat heeft het invallen van de dooi daarmee te maken?
De waarneming van Van Geel heeft alleen zin als de zee in de dagen of weken of maanden voorafgaand aan het gedicht níet geruist zou hebben. En dat is precies wat de zee deed in de barre winter van 1962 – 1963. “De winter van 1963 kondigde zich al in november [1962] aan”, meldt de website van het KNMI, maar hij “kwam echter pas op 19 december goed op gang.” Op dat moment zat de wind al “in de oosthoek” en bleef daar erg lang zitten, waardoor er gedurende een erg lange periode koude lucht werd aangevoerd. “Op veel plaatsen vroor het bijna drie maanden achtereen elke dag.” Er werden in januari en februari 1963 wel “dooi-aanvallen” ingezet, zoals de weerhistoricus het met veel gevoel voor dramatiek weet te zeggen, “maar de vorst gaf zich niet gewonnen.”
De winter van 1962 – 1963 was de winter van de barre Elfstedentocht van 18 januari 1963 – de zwaarste Elfstedentocht van allemaal. Het was de winter waarin het IJsselmeer dichtvroor; dat was vóór de Kerst van 1962 al het geval. Later volgden de Gouwzee, en de Waddenzee, en rond 23 januari 1963 zelfs de kuststrook van de Noordzee. Het leverde een bizar gezicht op: de branding verdween en er ontstonden ijsschotsen tot wel twee meter hoog. Ook het geluid verdween. Dit schreef Cor Draijer later in een terugblik, in het weekblad De Zandvoorter (van 24 december 2003):
“Er was geen eb en er was geen vloed, er was geen branding en er waren geen vogels. De roerloze bevroren zee had iets spookachtigs wat werd versterkt door het afwezig zijn van het geluid van de altijd aanwezige branding. Zo rond het middaguur van die 23e januari brak de zon door het wolkendek wat boven Zandvoort hing en de vergaping hield niet op. De vele ijskristallen schitterden in de zon en heel Zandvoort kwam naar het strand om te genieten van het schouwspel.”
De strenge winter zou nog lang aanhouden, tot in de eerste dagen van maart 1963. Pas op 5 maart moest de vorst zich dan toch eindelijk gewonnen geven. Toen pas ging de temperatuur weer stijgen. De bevroren zee begon te smelten en kwam langzaam weer tot leven: de branding keerde terug, en de zee begon weer te ruisen.
Chris van Geel woonde dicht bij zee, aan de rand van de duinen bij Groet, en liep graag en veel door de duinen, overdag en ’s nachts. We kunnen ons voorstellen dat op een gegeven moment het geruis van de zee uit de verte weer hoorbaar werd, zonder onderbrekingen, net als altijd, dagen–, nachtenlang. Hoor, hoor. Toen wist hij: de lange winter is voorbij, het zal gaan dooien.
Dit had een mooie historische achtergrond kunnen zijn voor deze twee regels. Maar de werkelijkheid is dat ze al jaren eerder werden geschreven. Ze vormden het begin van het gedicht ‘Vroege voorjaarsnacht’ dat in november 1958 verscheen in De Gids:
VROEGE VOORJAARSNACHT
Hoor, hoor, het zal gaan dooien,
de zee ruist dagen–, nachtenlang,
iedere gedachte boven graven
om de gedachtenlozen,
iedere golf breekt die de adem
benam.
In dit gedicht gaat de waarneming van het ruisen van de zee samen met een waarneming op een kerkhof, met graven waarin “de gedachtenlozen” (de doden) liggen begraven. Of gaat het hier om beeldspraak, en wordt de zee hier vergeleken met een kerkhof? De zee is dan de plek waar velen hun zeemansgraf vonden. Elke golf is een beeld voor een dode? En klinken dan in het onophoudelijk geruis van de zee de stemmen mee van al die doden? Zo ja, dan speelt in ‘dooien’ misschien ook nog wel de klankovereenkomst met ‘doden’ mee.
Het is een lastig gedicht, niet gemakkelijk te begrijpen. Misschien keurde Van Geel het daarom later wel af. Het is ook mogelijk dat het slot van de strenge winter van 1963 hem alsnog op het idee bracht om alleen de eerste twee regels te gebruiken – nu niet meer als een memento mori, maar eerder als een dichterlijke aanroeping.
Na het verschijnen van zijn eerste bundel, Spinroc en andere verzen, in juni 1958, begon Chris van Geel na te denken over een opvolger. Zijn gedachten gingen uit naar een bundel waarin hij een gang door het jaar en door de seizoenen zou maken. Zo’n opzet was niet nieuw. In de oudheid deden ze het al. In de middeleeuwen en in de Renaissance ook. En ook daarna: Guido Gezelle schreef een ‘Rijmsnoer om en om het jaar’, Simon Vestdijk een ‘Rondgang door het jaar’, Hugo Claus een ‘Almanak’. Zoiets wilde Van Geel ook, en daarom begon hij zijn maand- en jaargetijdengedichten alvast bij elkaar te brengen. Een tijd lang dacht hij dat die bundel Een Jaar in Holland zou kunnen gaan heten, maar die titel lag, zoals altijd bij hem, nog lang niet vast.
Grote haast was er niet, maar de zaak kwam in een stroomversnelling door zijn contacten met Johan Polak. Die was toen zelf nog geen uitgever, maar hij had al wel de nodige contacten met andere uitgevers. Daarnaast was hij een bibliofiel. Ook verzamelde hij handschriften van dichters. En hij had geld. Hij was daarbij ook nog eens een liefhebber van de gedichten van de toen nog vrijwel onbekende Chris van Geel. Zo kwam het dat hij in die jaren (1958-1962) Van Geel af en toe vroeg om wat gedichten voor hem over te schrijven, in zijn mooie handschrift, tegen een behoorlijke vergoeding. Het was voor de arme dichter Van Geel een eenvoudige manier om toch nog wat geld te verdienen.
Polak had in die tijd contact met de Haagse uitgever L.J.C Boucher. Via Polak kreeg Van Geel het voorstel om daar een kleine bundel uit te geven, in een kleine oplage. Het zou beschouwd kunnen worden als een vooruitgave van een grotere bundel die dan later zou gaan verschijnen bij Van Oorschot, de uitgever van zijn eerste bundel. Uit zijn productie tot op dat moment koos Van Geel eind 1959 eenentwintig gedichten, die grosso modo de gang door een jaar beschreven, van winter tot winter. De titel werd niet Een Jaar in Holland, maar Tussen Seizoenen.
Door allerlei omstandigheden duurde het anderhalf jaar voordat het bundeltje werd gedrukt. In het colofon (‘Naschrift’) viel te lezen:
“‘Tussen Seizoenen’ bevat eenentwintig gedichten uit de nog te verschijnen bundel ‘Het Zinrijk’, voor zover in nov. ’59 gereed.
Gedrukt in februari 1961 in een oplaag van 100 genummerde en gesigneerde exemplaren.
De exemplaren genummerd 1 – 40 zijn gereserveerd voor een liefhebber.”
De liefhebber was Johan Polak. Door nog weer andere omstandigheden werd de bundel vervolgens niet in omloop gebracht. Van Geel had zich in die anderhalf jaar na de inlevering van de kopij al meer dan eens opgewonden over de trage gang van zaken. Hij was (zoals wel vaker) niet tevreden met de vormgeving, het formaat en de typografie. En hij was inmiddels ook niet meer tevreden met de tekst van sommige gedichten. Kort na het gereedkomen ervan besloot hij dat Tussen Seizoenen niet verspreid mocht worden. “De gehele oplage staat in pakpapier met een touw er omheen in zijn kelder”, schreef I. Sitniakowsky in 1968, in een interview met de dichter (Algemeen Handelsblad, 23 november 1968). Van Geel gaf toen als reden: “Ik had intussen veranderingen in de gedichten aangebracht, de vorm was achterhaald.”
In 1972 brandde Van Geels huis in Groet af. Een deel van de oplage van Tussen Seizoenen is na de brand teruggevonden in de kelder onder de puinhopen. Sommige exemplaren waren geheel of gedeeltelijk verkoold, maar andere hadden het overleefd, al waren ze wel allemaal meer of minder gehavend door het bluswater.
Uiteindelijk duurde het tot november 1967 voordat Van Geels tweede grote bundel verscheen, bij Van Oorschot. Hij heette niet Het Zinrijk, zoals in het colofon van Tussen Seizoenen nog was aangekondigd, maar Uit de hoge boom geschreven. (Het Zinrijk zou in 1971 alsnog de titel worden van zijn derde bundel.) Het was niet de jaarkalenderbundel geworden die hij eind jaren vijftig voor ogen had, maar in de derde afdeling ervan, ‘Tussen seizoenen’, was nog wel veel van het oorspronkelijke plan, en van het gelijknamige onverschenen bundeltje, terug te vinden. Die afdeling bestond nu uit eenendertig gedichten. Daarvan maakten er negen deel uit van het bundeltje Tussen Seizoenen.
Ook in deze vorm begint en eindigt de reeks in de winter. Helemaal aan het begin staat een kort gedichtje, van maar twee regels. Meer dan een voorafje, een lyrisch aanhefje, is het niet:
Hoor, hoor, het zal gaan dooien,
de zee ruist dagen–, nachtenlang.
Het lijkt een oproep van de dichter aan de lezer, of van een denkbeeldige zanger aan een denkbeeldige groep luisteraars, om zich aan te sluiten en mee te gaan in het verhaal: hoor, hoor, ik zal u wat gaan vertellen. Of is het een aansporing aan zichzelf: om wakker te worden en in beweging te komen, misschien ook wel bedoeld als een soort opmaat, een eerste uithaal, om te beginnen met dichten? Het is lang winter geweest, het vroor, alles stond stil, maar nu kondigt zich een verandering aan: het gaat dooien, het leven komt weer op gang.
Het lijkt een kort versje om niet al te lang bij stil te staan. Maar als je er wat langer naar kijkt, is het toch wel een merkwaardig geval. Is het niet zo dat de zee altijd ruist, dag en nacht, in alle seizoenen, soms hard, soms misschien wat zachter? Wat heeft het invallen van de dooi daarmee te maken?
De waarneming van Van Geel heeft alleen zin als de zee in de dagen of weken of maanden voorafgaand aan het gedicht níet geruist zou hebben. En dat is precies wat de zee deed in de barre winter van 1962 – 1963. “De winter van 1963 kondigde zich al in november [1962] aan”, meldt de website van het KNMI, maar hij “kwam echter pas op 19 december goed op gang.” Op dat moment zat de wind al “in de oosthoek” en bleef daar erg lang zitten, waardoor er gedurende een erg lange periode koude lucht werd aangevoerd. “Op veel plaatsen vroor het bijna drie maanden achtereen elke dag.” Er werden in januari en februari 1963 wel “dooi-aanvallen” ingezet, zoals de weerhistoricus het met veel gevoel voor dramatiek weet te zeggen, “maar de vorst gaf zich niet gewonnen.”
De winter van 1962 – 1963 was de winter van de barre Elfstedentocht van 18 januari 1963 – de zwaarste Elfstedentocht van allemaal. Het was de winter waarin het IJsselmeer dichtvroor; dat was vóór de Kerst van 1962 al het geval. Later volgden de Gouwzee, en de Waddenzee, en rond 23 januari 1963 zelfs de kuststrook van de Noordzee. Het leverde een bizar gezicht op: de branding verdween en er ontstonden ijsschotsen tot wel twee meter hoog. Ook het geluid verdween. Dit schreef Cor Draijer later in een terugblik, in het weekblad De Zandvoorter (van 24 december 2003):
“Er was geen eb en er was geen vloed, er was geen branding en er waren geen vogels. De roerloze bevroren zee had iets spookachtigs wat werd versterkt door het afwezig zijn van het geluid van de altijd aanwezige branding. Zo rond het middaguur van die 23e januari brak de zon door het wolkendek wat boven Zandvoort hing en de vergaping hield niet op. De vele ijskristallen schitterden in de zon en heel Zandvoort kwam naar het strand om te genieten van het schouwspel.”
De strenge winter zou nog lang aanhouden, tot in de eerste dagen van maart 1963. Pas op 5 maart moest de vorst zich dan toch eindelijk gewonnen geven. Toen pas ging de temperatuur weer stijgen. De bevroren zee begon te smelten en kwam langzaam weer tot leven: de branding keerde terug, en de zee begon weer te ruisen.
Chris van Geel woonde dicht bij zee, aan de rand van de duinen bij Groet, en liep graag en veel door de duinen, overdag en ’s nachts. We kunnen ons voorstellen dat op een gegeven moment het geruis van de zee uit de verte weer hoorbaar werd, zonder onderbrekingen, net als altijd, dagen–, nachtenlang. Hoor, hoor. Toen wist hij: de lange winter is voorbij, het zal gaan dooien.
Dit had een mooie historische achtergrond kunnen zijn voor deze twee regels. Maar de werkelijkheid is dat ze al jaren eerder werden geschreven. Ze vormden het begin van het gedicht ‘Vroege voorjaarsnacht’ dat in november 1958 verscheen in De Gids:
VROEGE VOORJAARSNACHT
Hoor, hoor, het zal gaan dooien,
de zee ruist dagen–, nachtenlang,
iedere gedachte boven graven
om de gedachtenlozen,
iedere golf breekt die de adem
benam.
In dit gedicht gaat de waarneming van het ruisen van de zee samen met een waarneming op een kerkhof, met graven waarin “de gedachtenlozen” (de doden) liggen begraven. Of gaat het hier om beeldspraak, en wordt de zee hier vergeleken met een kerkhof? De zee is dan de plek waar velen hun zeemansgraf vonden. Elke golf is een beeld voor een dode? En klinken dan in het onophoudelijk geruis van de zee de stemmen mee van al die doden? Zo ja, dan speelt in ‘dooien’ misschien ook nog wel de klankovereenkomst met ‘doden’ mee.
Het is een lastig gedicht, niet gemakkelijk te begrijpen. Misschien keurde Van Geel het daarom later wel af. Het is ook mogelijk dat het slot van de strenge winter van 1963 hem alsnog op het idee bracht om alleen de eerste twee regels te gebruiken – nu niet meer als een memento mori, maar eerder als een dichterlijke aanroeping.
• Bevroren branding bij de Noordzee – Foto: CC/Olavtenbroek.

Reacties
Een reactie posten