.
Groot nieuws onlangs, in de Zeeuwse regionale pers: in Middelburg is een zeldzame paddenstoel aangetroffen. Hij werd gevonden door mevrouw Willy Remijn toen zij met haar kleinzoon door het plaatselijke tuincentrum liep. Daar viel haar oog in het voorbijgaan op een plantenbak met daarin een olijfboom en ook, aan de rand van de bak, een merkwaardige paddenstoel.
Ze maakte een foto en stuurde die meteen naar haar man Henk, een paddenstoelexpert. Henk zag meteen dat dit een zogeheten ‘aardster’ was, en wel een heel bijzondere. Onderzoek wees uit dat het hier ging om de Geastrum welwitschii. Dat is een Amerikaanse aardster die voor zover bekend nog maar vier keer is waargenomen in Europa. Voor de eerste keer was dat in 1848, in Lissabon. Hij werd toen gezien en beschreven door een Oostenrijkse botanicus Welwitsch (1806-1872) naar wie de paddenstoel vernoemd is.
Het Griekse woord voor aarde is ‘gè’, en het Griekse woord voor ster is ‘aster’. Een aardster (’ge-astrum’) begint als een bol, half in de grond. Als hij rijp is splijt de buitenste laag open, in de vorm van een ster – vandaar de naam. Op de top van de bol vormt zich een gaatje, waardoorheen de sporen worden verspreid.
Wereldwijd zijn er zo’n 120 soorten van de aardster bekend, waarvan ongeveer twintig in Nederland. De Middelburgse olijfbomenbak waarin de paddenstoel groeide was waarschijnlijk geïmporteerd uit het Caribische gebied. De tropische temperaturen in het olijfboomdeel van het tuincentrum zullen gunstig zijn geweest voor de groei van deze Geastrum welwitschii. De paddenstoel is inmiddels voor nader onderzoek opgestuurd naar natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden.
Aardsterren zijn vooral te vinden in zanderige omgevingen, zoals bossen en duingebieden. Chris van Geel kan er een gezien hebben in de duinen bij Groet (waar hij woonde tot begin 1972), of Bergen (1972-1973) of Castricum (vanaf begin 1973). Of hij heeft, toen hij daar woonde, erover gelezen. Niet over de zeldzame Geastrum welwitschii, maar over een van de meer gewonere vormen van de aardster. Hij zal vast verrast en geïntrigeerd zijn geweest door de naam aard-ster – vanwege de verbinding tussen zoiets kleins en dichtbijs in de grond en een groot hemellichaam ver weg, tussen laag en hoog, tussen aarde en ster:
BUIKZWAM DE AARDSTER
Hij springt tot ster in slippen open,
hij draagt van binnen rookdun zaad,
hij stuift zijn sporen maar hoe stuift
hij als hij niet wordt aangeraakt?
Van Geels woordkeus wijst erop dat hij bij het schrijven waarschijnlijk een zwamkundig naslagwerk heeft geraadpleegd. In de meeste beschrijvingen van de aardster worden zulke termen als ‘ster’, ‘stervorm’, ‘slippen’ of ‘in slippen openspringen’ gebruikt.
De woorden ‘rookdun zaad’ komen daarin dan weer niet voor. Het is een beeld van eigen vinding: een mooie omschrijving voor de dunnige, mistige, rookachtige sporenwolkjes die een aardster uitstoot als hij wordt aangeraakt. Dat aanraken kan bijvoorbeeld gebeuren door een vallende regendruppel, een blad of een takje of een toevallig passerend laag bij de grond levend dier. Het aangeraakt worden is cruciaal voor de aardster. Zonder aanraking geen verspreiding.
Het aardster-gedicht is in de eerste plaats een beschrijving van een natuurverschijnsel. Maar het is ook meteen, zoals bijna altijd bij Van Geel, een psychologisch portret van een, of misschien wel de mens: in dit geval van de mens in zijn eenzame staat, behept met zijn onvermogen om contact te maken als hij niet door een ander wordt aangeraakt.
Eén stap verder, en het gedicht wordt ook een seksueel portret. Denk aan het mannelijk geslachtsdeel dat opgewonden raakt en zijn kop om zo te zeggen naar boven en naar buiten duwt en zich dan als het ware openvouwt en ontplooit, klaar om zaad te lozen. Maar wat doet het mannelijk lid, of althans de meeste mannelijke leden, als het in deze opgewonden staat geraakt, maar niet wordt áángeraakt? Hoe loost het dan zijn zaad, hoe stuift het dan zijn sporen? Dan blijft het gefrustreerd en onbevredigd achter, eenzaam met zijn onvervulde verlangen.
Van Geel kende zijn Freud. En hij was, zoals bijna alle dichters, meer dan gemiddeld gespitst op woorden en hun mogelijke onbewuste bijbetekenissen. Dat de aardster behoort tot de afdeling van de buikzwammen (Gasteromycetes) kwam hem in dit geval erg goed uit. De associatie met de menselijke buik-zwam, de penis en de balzak, lag voor de hand. Hij nam het woord dan ook dankbaar op in de titel van het gedicht.
Het gaat bij zo’n gedicht om mogelijke, al dan niet bewuste associaties. We weten niet zeker of Van Geel bij het stuiven van sporen per se moest denken aan een zaadlozing, of bij het woord buikzwam aan een menselijke buikzwam ergens in de buurt van de onderbuik. En het is intussen ook helemaal niet zo dat de vorm van een aardster nu bepaald doet denken aan die van een penis – dan nog eerder aan een vrouwenborst, met een prominente tepel. Als Van Geel zo graag een zwamgedicht had willen schrijven dat ook gelezen kon worden als een beschrijving van een erectie, dan had hij wel gekozen voor bijvoorbeeld de grote stinkzwam. Latijnse naam: Phallus impudicus.
Je kunt dit gedicht ook lezen als een portret van een, of deze, dichter. Hij is een vat vol letters, woorden, zinnen of strofen, maar hij moet eerst door iets in de buitenwereld (een beeld, een sensatie, een ingeving) worden aangeraakt voordat hij in staat is zijn gedicht naar buiten te brengen. Als je het zo leest dan is het gedicht zijn manier om zich voort te planten – zijn sporen na te laten.
‘Buikzwam de aardster’ is een kort gedicht, maar het kan op veel verschillende manieren gelezen worden. Het zit bomvol betekenissen, wel enigszins zoals de op springen staande zwam die het beschrijft. Dat geldt voor veel van de gedichten van Van Geel. Hij ging in de loop van zijn dichterlijke ontwikkeling steeds korter, strakker, ingedikter, gecondenseerder schrijven.
Het is niet zo dat hem dat in de dagelijkse praktijk steeds gemakkelijker afging. De bewaard gebleven handschriften van dit gedicht (een van de laatste die hij schreef) laten zien dat dit kwatrijn aanvankelijk maar liefs twintig regels telde. In die lange versie vergeleek Van Geel de aardster eerst met een vreemde verdwaalde vlinderachtige plant, “een verschoten anemoon”, dicht op de grond gedrukt. Hij beschreef hem als “gewimperd en gekraagd”, termen die in de naslagwerken ook vaak worden gebruikt om de aardster te beschrijven, en zijn vruchtvlees, als je dat zo kunt noemen, als “bleek vlees te fijn van snit”.
In die eerste versie is er ook al meteen de bekommernis om zijn eenzame verschijning: “Hij heeft zich in de grond gegraven. / Wie die hem in zijn armen drukt?” Hij zoekt wel contact, maar wie wil er contact? “Zijn hart hoog op het topje open, / het stelt een minuskule vraag: / hij stuift zijn sporen maar hoe stuift / hij als hij niet wordt aangeraakt?”
Het lange gedicht van twintig regels (vijf kwatrijnen) werd ingedikt tot een versie van zes regels (zonder witregels), daarna tot de versie zoals we die kennen (vier regels, zonder witregels), maar daarna weer uitgerekt tot een versie van negen regels (drie terzinen). Elly de Waard en T. van Deel hebben na de dood van de dichter alle versies van dit gedicht gepubliceerd, als een goed voorbeeld van Van Geels werkwijze (in het tijdschrift Spektator van maart 1976). De Waard en Van Deel waren als meelezers nauw bij het werk van Van Geel betrokken. Zij wisten dat hij uiteindelijk de een na laatste versie (vier regels) als de definitieve versie koos. In die versie verscheen het gedicht dan ook in De Revisor, in april 1974. De dichter was kort daarvoor overleden, op 8 maart 1974.
In hun toelichting suggereren ze dat het wel voor de hand lag dat Van Geel voor de kwatrijnversie koos, want dat was “de meest sobere en doeltreffende”. Zo kun je het zien. Het zegt ook wel iets over de normen die toen leefden bij de meelezers, en in de kringen rond het tijdschrift De Revisor: hoe soberder hoe beter.
Maar wat is ‘doeltreffend’ nu precies in het geval van een gedicht? Ik heb inmiddels een zwak ontwikkeld voor de laatste, wat langere versie, in drie terzinen. Die is in alle opzichten wat minder strak. Er zit iets meer lucht in, iets meer lyriek, en iets meer liefde. En er is ook nog ruimte voor een verrassende vergelijking: Van Geel ziet de aardster ook als een pad die eerst op- en openspringt, en zich dan “achterwaarts in aarde graaft”. Hij wil omhoog, die buikzwam, en hij wil tegelijk terug, de grond in:
BUIKZWAM DE AARDSTER
Gewimperd en gekraagd springt hij
uit grond tot ster in slippen open.
Zijn hart hoog op het topje oogt.
Hij is een ster die als een pad
zich achterwaarts in aarde graaft.
Wie die hem in zijn armen sluit?
Hij draagt van binnen rookdun zaad,
hij stuift zijn sporen maar hoe stuift
hij als hij niet wordt aangeraakt?
• De zeldzame aardster (geastrum welwitschii) staat middenin tuincentrum GroenRijk in Middelburg, in de pot van een olijfsoort. © Henk Remijn / Lex De Meester.
Groot nieuws onlangs, in de Zeeuwse regionale pers: in Middelburg is een zeldzame paddenstoel aangetroffen. Hij werd gevonden door mevrouw Willy Remijn toen zij met haar kleinzoon door het plaatselijke tuincentrum liep. Daar viel haar oog in het voorbijgaan op een plantenbak met daarin een olijfboom en ook, aan de rand van de bak, een merkwaardige paddenstoel.
Ze maakte een foto en stuurde die meteen naar haar man Henk, een paddenstoelexpert. Henk zag meteen dat dit een zogeheten ‘aardster’ was, en wel een heel bijzondere. Onderzoek wees uit dat het hier ging om de Geastrum welwitschii. Dat is een Amerikaanse aardster die voor zover bekend nog maar vier keer is waargenomen in Europa. Voor de eerste keer was dat in 1848, in Lissabon. Hij werd toen gezien en beschreven door een Oostenrijkse botanicus Welwitsch (1806-1872) naar wie de paddenstoel vernoemd is.
Het Griekse woord voor aarde is ‘gè’, en het Griekse woord voor ster is ‘aster’. Een aardster (’ge-astrum’) begint als een bol, half in de grond. Als hij rijp is splijt de buitenste laag open, in de vorm van een ster – vandaar de naam. Op de top van de bol vormt zich een gaatje, waardoorheen de sporen worden verspreid.
Wereldwijd zijn er zo’n 120 soorten van de aardster bekend, waarvan ongeveer twintig in Nederland. De Middelburgse olijfbomenbak waarin de paddenstoel groeide was waarschijnlijk geïmporteerd uit het Caribische gebied. De tropische temperaturen in het olijfboomdeel van het tuincentrum zullen gunstig zijn geweest voor de groei van deze Geastrum welwitschii. De paddenstoel is inmiddels voor nader onderzoek opgestuurd naar natuurhistorisch museum Naturalis in Leiden.
Aardsterren zijn vooral te vinden in zanderige omgevingen, zoals bossen en duingebieden. Chris van Geel kan er een gezien hebben in de duinen bij Groet (waar hij woonde tot begin 1972), of Bergen (1972-1973) of Castricum (vanaf begin 1973). Of hij heeft, toen hij daar woonde, erover gelezen. Niet over de zeldzame Geastrum welwitschii, maar over een van de meer gewonere vormen van de aardster. Hij zal vast verrast en geïntrigeerd zijn geweest door de naam aard-ster – vanwege de verbinding tussen zoiets kleins en dichtbijs in de grond en een groot hemellichaam ver weg, tussen laag en hoog, tussen aarde en ster:
BUIKZWAM DE AARDSTER
Hij springt tot ster in slippen open,
hij draagt van binnen rookdun zaad,
hij stuift zijn sporen maar hoe stuift
hij als hij niet wordt aangeraakt?
Van Geels woordkeus wijst erop dat hij bij het schrijven waarschijnlijk een zwamkundig naslagwerk heeft geraadpleegd. In de meeste beschrijvingen van de aardster worden zulke termen als ‘ster’, ‘stervorm’, ‘slippen’ of ‘in slippen openspringen’ gebruikt.
De woorden ‘rookdun zaad’ komen daarin dan weer niet voor. Het is een beeld van eigen vinding: een mooie omschrijving voor de dunnige, mistige, rookachtige sporenwolkjes die een aardster uitstoot als hij wordt aangeraakt. Dat aanraken kan bijvoorbeeld gebeuren door een vallende regendruppel, een blad of een takje of een toevallig passerend laag bij de grond levend dier. Het aangeraakt worden is cruciaal voor de aardster. Zonder aanraking geen verspreiding.
Het aardster-gedicht is in de eerste plaats een beschrijving van een natuurverschijnsel. Maar het is ook meteen, zoals bijna altijd bij Van Geel, een psychologisch portret van een, of misschien wel de mens: in dit geval van de mens in zijn eenzame staat, behept met zijn onvermogen om contact te maken als hij niet door een ander wordt aangeraakt.
Eén stap verder, en het gedicht wordt ook een seksueel portret. Denk aan het mannelijk geslachtsdeel dat opgewonden raakt en zijn kop om zo te zeggen naar boven en naar buiten duwt en zich dan als het ware openvouwt en ontplooit, klaar om zaad te lozen. Maar wat doet het mannelijk lid, of althans de meeste mannelijke leden, als het in deze opgewonden staat geraakt, maar niet wordt áángeraakt? Hoe loost het dan zijn zaad, hoe stuift het dan zijn sporen? Dan blijft het gefrustreerd en onbevredigd achter, eenzaam met zijn onvervulde verlangen.
Van Geel kende zijn Freud. En hij was, zoals bijna alle dichters, meer dan gemiddeld gespitst op woorden en hun mogelijke onbewuste bijbetekenissen. Dat de aardster behoort tot de afdeling van de buikzwammen (Gasteromycetes) kwam hem in dit geval erg goed uit. De associatie met de menselijke buik-zwam, de penis en de balzak, lag voor de hand. Hij nam het woord dan ook dankbaar op in de titel van het gedicht.
Het gaat bij zo’n gedicht om mogelijke, al dan niet bewuste associaties. We weten niet zeker of Van Geel bij het stuiven van sporen per se moest denken aan een zaadlozing, of bij het woord buikzwam aan een menselijke buikzwam ergens in de buurt van de onderbuik. En het is intussen ook helemaal niet zo dat de vorm van een aardster nu bepaald doet denken aan die van een penis – dan nog eerder aan een vrouwenborst, met een prominente tepel. Als Van Geel zo graag een zwamgedicht had willen schrijven dat ook gelezen kon worden als een beschrijving van een erectie, dan had hij wel gekozen voor bijvoorbeeld de grote stinkzwam. Latijnse naam: Phallus impudicus.
Je kunt dit gedicht ook lezen als een portret van een, of deze, dichter. Hij is een vat vol letters, woorden, zinnen of strofen, maar hij moet eerst door iets in de buitenwereld (een beeld, een sensatie, een ingeving) worden aangeraakt voordat hij in staat is zijn gedicht naar buiten te brengen. Als je het zo leest dan is het gedicht zijn manier om zich voort te planten – zijn sporen na te laten.
‘Buikzwam de aardster’ is een kort gedicht, maar het kan op veel verschillende manieren gelezen worden. Het zit bomvol betekenissen, wel enigszins zoals de op springen staande zwam die het beschrijft. Dat geldt voor veel van de gedichten van Van Geel. Hij ging in de loop van zijn dichterlijke ontwikkeling steeds korter, strakker, ingedikter, gecondenseerder schrijven.
Het is niet zo dat hem dat in de dagelijkse praktijk steeds gemakkelijker afging. De bewaard gebleven handschriften van dit gedicht (een van de laatste die hij schreef) laten zien dat dit kwatrijn aanvankelijk maar liefs twintig regels telde. In die lange versie vergeleek Van Geel de aardster eerst met een vreemde verdwaalde vlinderachtige plant, “een verschoten anemoon”, dicht op de grond gedrukt. Hij beschreef hem als “gewimperd en gekraagd”, termen die in de naslagwerken ook vaak worden gebruikt om de aardster te beschrijven, en zijn vruchtvlees, als je dat zo kunt noemen, als “bleek vlees te fijn van snit”.
In die eerste versie is er ook al meteen de bekommernis om zijn eenzame verschijning: “Hij heeft zich in de grond gegraven. / Wie die hem in zijn armen drukt?” Hij zoekt wel contact, maar wie wil er contact? “Zijn hart hoog op het topje open, / het stelt een minuskule vraag: / hij stuift zijn sporen maar hoe stuift / hij als hij niet wordt aangeraakt?”
Het lange gedicht van twintig regels (vijf kwatrijnen) werd ingedikt tot een versie van zes regels (zonder witregels), daarna tot de versie zoals we die kennen (vier regels, zonder witregels), maar daarna weer uitgerekt tot een versie van negen regels (drie terzinen). Elly de Waard en T. van Deel hebben na de dood van de dichter alle versies van dit gedicht gepubliceerd, als een goed voorbeeld van Van Geels werkwijze (in het tijdschrift Spektator van maart 1976). De Waard en Van Deel waren als meelezers nauw bij het werk van Van Geel betrokken. Zij wisten dat hij uiteindelijk de een na laatste versie (vier regels) als de definitieve versie koos. In die versie verscheen het gedicht dan ook in De Revisor, in april 1974. De dichter was kort daarvoor overleden, op 8 maart 1974.
In hun toelichting suggereren ze dat het wel voor de hand lag dat Van Geel voor de kwatrijnversie koos, want dat was “de meest sobere en doeltreffende”. Zo kun je het zien. Het zegt ook wel iets over de normen die toen leefden bij de meelezers, en in de kringen rond het tijdschrift De Revisor: hoe soberder hoe beter.
Maar wat is ‘doeltreffend’ nu precies in het geval van een gedicht? Ik heb inmiddels een zwak ontwikkeld voor de laatste, wat langere versie, in drie terzinen. Die is in alle opzichten wat minder strak. Er zit iets meer lucht in, iets meer lyriek, en iets meer liefde. En er is ook nog ruimte voor een verrassende vergelijking: Van Geel ziet de aardster ook als een pad die eerst op- en openspringt, en zich dan “achterwaarts in aarde graaft”. Hij wil omhoog, die buikzwam, en hij wil tegelijk terug, de grond in:
BUIKZWAM DE AARDSTER
Gewimperd en gekraagd springt hij
uit grond tot ster in slippen open.
Zijn hart hoog op het topje oogt.
Hij is een ster die als een pad
zich achterwaarts in aarde graaft.
Wie die hem in zijn armen sluit?
Hij draagt van binnen rookdun zaad,
hij stuift zijn sporen maar hoe stuift
hij als hij niet wordt aangeraakt?
• De zeldzame aardster (geastrum welwitschii) staat middenin tuincentrum GroenRijk in Middelburg, in de pot van een olijfsoort. © Henk Remijn / Lex De Meester.

Reacties
Een reactie posten