.
Wat is poëzie? Poëzie valt op veel manieren te definiëren, maar dit lijkt mij een van de belangrijkste kenmerken ervan: de regels worden afgebroken. De ene dichter is er beter in dan de andere. En de een doet er ook meer mee dan de ander. Kees Verheul (1940-2024) vond dat Chris van Geel op dit onderdeel “een grote virtuositeit” had ontwikkeld, zo schreef hij in zijn essay ‘De wereld in raadselspreuken’ (in De Revisor, november 1975).
Van Geel was een meester in wat Verheul “een misleidende zinsbouw” noemde. Het is normaal dat bij het lezen de aandacht aan het eind van iedere versregel even wordt stilgezet. Voordat we verder gaan, interpreteren we het voorafgaande als één samenhangend geheel. Van Geel speelde met dat mechanisme. Hij “breekt de zinnen in zijn versregels bij voorkeur zo af dat we onze interpretaties later moeten herzien – we blijken ‘verkeerd’ te hebben gelezen.”
Als eerste voorbeeld noemt hij de beginregel van het gedicht ‘Zomer’:
Het water ligt ontdaan bijna
Dat zou je een normale zin kunnen noemen. Met een geslaagd beeld, volgens Verheul. “Op de plaats van ‘ontdaan’ had ook ‘versuft’ kunnen staan, of ‘verschrikt’, maar wát er staat is beter – we zien het water onder de zonnehitte al voor ons.”
Maar dat is niet wat de dichter wil zeggen, althans niet het enige. Dat blijkt als we doorlezen. Dan blijkt dat we zijn “beetgenomen”, zoals Verheul het omschrijft:
Het water ligt ontdaan bijna
van water onder stof,
(…)
Het water ligt niet ‘ontdaan bijna’, maar ‘ontdaan bijna van water’. Op de plek die Van Geel beschrijft zal het al een hele tijd niet meer geregend hebben. De rivier, of de beek, of de sloot is bijna drooggevallen. Door de zomerhitte is al het water bijna verdampt, en de rest is nu met een dun laagje stof bedekt. Je ziet het water bijna niet meer.
Het tweede voorbeeld van Verheul komt uit het gedicht ‘De zee, een pauw’. Van Geel beschrijft daarin de kleur- en lichtschakeringen aan het zeeoppervlak met behulp van één consequent volgehouden beeld: alsof de zee een pauw is. De tweede strofe begint met de volgende regels:
Verliest haar oog aan kleur, betrekt
de lucht, zij vlucht in wit, fel licht
“Geen lezer zal eraan twijfelen dat ‘fel’ hier een bijvoeglijk, en ‘licht’ een zelfstandig naamwoord is”, zegt Verheul. “Maar de afgebroken zin wordt in het vervolg van de strofe voortgezet met woorden die deze opvatting onhoudbaar maken (…)”:
Verliest haar oog aan kleur, betrekt
de lucht, zij vlucht in wit, fel licht
zij op waar zij in spindrift zich
op golven neergeschreven heeft.
We zijn opnieuw beetgenomen. “We zijn gedwongen terug te gaan en ‘fel’ en ‘licht’ respektievelijk als bijwoord en als werkwoordsvorm te interpreteren om de zin opnieuw lopend te krijgen.”
Je kunt deze verspringingen opvatten als een vorm van plezierdicht: spelen met woorden, en ook spelen met de verwachtingen van de lezer. Maar Verheul wil er wel iets meer in zien. Hij wijst erop dat hier dezelfde woorden achtereenvolgens twee verschillende betekenissen dragen, waarbij de eerste, ‘foute’, lezing intussen wel zijn poëtische geldigheid behoudt. Dat schudt het taalbewustzijn van de lezer wakker. De lezer wordt erop geattendeerd dat ook een eenvoudige en eenduidige formulering (“zij vlucht in wit, fel licht” bijvoorbeeld) bij Van Geel niet zomaar voor waar aangenomen kan worden. Daarmee wordt een diepere, en fundamentelere onzekerheid aangeboord: “Zo wordt in het gedicht de taal het ekwivalent van een onvatbare wereld – niet door vaagheid, maar door een maksimum aan vorm.” De taal is niet te vertrouwen – en dat is dan een symbool voor: de wereld is niet te bevatten.
Een vergelijkbare verspringing vinden we in een ander gedicht, dat zich toevallig ook aan zee afspeelt. Het begint met deze regel:
De zee staat rustend op
Deze regel zou je heel goed zelfstandig kunnen lezen, als een mededeling over een zee in rust, die nu óp gaat staan – een vervoeging van het werkwoord “opstaan”. Maar het vervolg maakt duidelijk dat “op” niet bij het werkwoord “opstaan” hoort, maar bij het werkwoord “rusten”:
De zee staat rustend op
haar golven rustend golven af,
haar lip hartstochtelijk
ontcijfert zand.
Van Geel beschrijft hier de aanblik van een rustig aan- en afrollende zee. Zij, de zee, staat langzaam golven af aan het strand. Mooi gezegd. Dat afstaan doet zij kalmpjes, “rustend”, terwijl zij rust op haar andere golven. Het is natuurlijk een en al gegolf, zo’n zee: er is een voortdurende aanvoer van golven, een onderstroom waar de zee als het ware op rust, terwijl zij tegelijk ook doende is rustig haar golven af te zetten op het strand. Golf volgt op golf, en de ene golf gaat in de andere over. In de in zichzelf voortrollende en zichzelf herhalende formulering van de eerste twee regels (rustend - golven - rustend – golven) is al uitgedrukt wat er in werkelijkheid op de grens van zee en strand voortdurend gebeurt.
De zee, met “haar” golven, wordt hier voorgesteld als een vrouwelijk wezen. In de slotregels krijgt zij er nog een lichaamsdeel bij: een lip. Het is een verrassend beeld voor de kalme aan- en afgaande beweging van het zeewater op het strand: alsof de zee een dier, of een mens, is die met haar lip telkens opnieuw tastenderwijs het zand van het strand probeert de verkennen.
Van Geel noemt het “ontcijferen”. Dat wijst er al op dat de twee niet helemaal dezelfde taal spreken, en elkaar niet meteen begrijpen. Het is geen praten, maar wat dan wel? Het lijkt eerder op proeven, proberen, tasten. Noem het zandlezen. Maar het is niet zomaar een beetje lezen uit nieuwsgierigheid, maar lezen met enige aandrang, en uit verlangen. Het ontcijferen gaat “hartstochtelijk”. Geen zandlezen, maar zandkussen.
Zee en zand gaan naar elkaar op zoek en gaan haast vanzelf in elkaar over. Op een vergelijkbare manier gaat dit natuurgedicht ook haast vanzelf over in een erotische schets. Zee en zand willen opgaan in elkaar. De aan- en afgaande beweging van de golven lijkt op een andere aan- en afgaande beweging, op wat wel wordt genoemd: de oudste beweging ter wereld.
Wat is poëzie? Poëzie valt op veel manieren te definiëren, maar dit lijkt mij een van de belangrijkste kenmerken ervan: de regels worden afgebroken. De ene dichter is er beter in dan de andere. En de een doet er ook meer mee dan de ander. Kees Verheul (1940-2024) vond dat Chris van Geel op dit onderdeel “een grote virtuositeit” had ontwikkeld, zo schreef hij in zijn essay ‘De wereld in raadselspreuken’ (in De Revisor, november 1975).
Van Geel was een meester in wat Verheul “een misleidende zinsbouw” noemde. Het is normaal dat bij het lezen de aandacht aan het eind van iedere versregel even wordt stilgezet. Voordat we verder gaan, interpreteren we het voorafgaande als één samenhangend geheel. Van Geel speelde met dat mechanisme. Hij “breekt de zinnen in zijn versregels bij voorkeur zo af dat we onze interpretaties later moeten herzien – we blijken ‘verkeerd’ te hebben gelezen.”
Als eerste voorbeeld noemt hij de beginregel van het gedicht ‘Zomer’:
Het water ligt ontdaan bijna
Dat zou je een normale zin kunnen noemen. Met een geslaagd beeld, volgens Verheul. “Op de plaats van ‘ontdaan’ had ook ‘versuft’ kunnen staan, of ‘verschrikt’, maar wát er staat is beter – we zien het water onder de zonnehitte al voor ons.”
Maar dat is niet wat de dichter wil zeggen, althans niet het enige. Dat blijkt als we doorlezen. Dan blijkt dat we zijn “beetgenomen”, zoals Verheul het omschrijft:
Het water ligt ontdaan bijna
van water onder stof,
(…)
Het water ligt niet ‘ontdaan bijna’, maar ‘ontdaan bijna van water’. Op de plek die Van Geel beschrijft zal het al een hele tijd niet meer geregend hebben. De rivier, of de beek, of de sloot is bijna drooggevallen. Door de zomerhitte is al het water bijna verdampt, en de rest is nu met een dun laagje stof bedekt. Je ziet het water bijna niet meer.
Het tweede voorbeeld van Verheul komt uit het gedicht ‘De zee, een pauw’. Van Geel beschrijft daarin de kleur- en lichtschakeringen aan het zeeoppervlak met behulp van één consequent volgehouden beeld: alsof de zee een pauw is. De tweede strofe begint met de volgende regels:
Verliest haar oog aan kleur, betrekt
de lucht, zij vlucht in wit, fel licht
“Geen lezer zal eraan twijfelen dat ‘fel’ hier een bijvoeglijk, en ‘licht’ een zelfstandig naamwoord is”, zegt Verheul. “Maar de afgebroken zin wordt in het vervolg van de strofe voortgezet met woorden die deze opvatting onhoudbaar maken (…)”:
Verliest haar oog aan kleur, betrekt
de lucht, zij vlucht in wit, fel licht
zij op waar zij in spindrift zich
op golven neergeschreven heeft.
We zijn opnieuw beetgenomen. “We zijn gedwongen terug te gaan en ‘fel’ en ‘licht’ respektievelijk als bijwoord en als werkwoordsvorm te interpreteren om de zin opnieuw lopend te krijgen.”
Je kunt deze verspringingen opvatten als een vorm van plezierdicht: spelen met woorden, en ook spelen met de verwachtingen van de lezer. Maar Verheul wil er wel iets meer in zien. Hij wijst erop dat hier dezelfde woorden achtereenvolgens twee verschillende betekenissen dragen, waarbij de eerste, ‘foute’, lezing intussen wel zijn poëtische geldigheid behoudt. Dat schudt het taalbewustzijn van de lezer wakker. De lezer wordt erop geattendeerd dat ook een eenvoudige en eenduidige formulering (“zij vlucht in wit, fel licht” bijvoorbeeld) bij Van Geel niet zomaar voor waar aangenomen kan worden. Daarmee wordt een diepere, en fundamentelere onzekerheid aangeboord: “Zo wordt in het gedicht de taal het ekwivalent van een onvatbare wereld – niet door vaagheid, maar door een maksimum aan vorm.” De taal is niet te vertrouwen – en dat is dan een symbool voor: de wereld is niet te bevatten.
Een vergelijkbare verspringing vinden we in een ander gedicht, dat zich toevallig ook aan zee afspeelt. Het begint met deze regel:
De zee staat rustend op
Deze regel zou je heel goed zelfstandig kunnen lezen, als een mededeling over een zee in rust, die nu óp gaat staan – een vervoeging van het werkwoord “opstaan”. Maar het vervolg maakt duidelijk dat “op” niet bij het werkwoord “opstaan” hoort, maar bij het werkwoord “rusten”:
De zee staat rustend op
haar golven rustend golven af,
haar lip hartstochtelijk
ontcijfert zand.
Van Geel beschrijft hier de aanblik van een rustig aan- en afrollende zee. Zij, de zee, staat langzaam golven af aan het strand. Mooi gezegd. Dat afstaan doet zij kalmpjes, “rustend”, terwijl zij rust op haar andere golven. Het is natuurlijk een en al gegolf, zo’n zee: er is een voortdurende aanvoer van golven, een onderstroom waar de zee als het ware op rust, terwijl zij tegelijk ook doende is rustig haar golven af te zetten op het strand. Golf volgt op golf, en de ene golf gaat in de andere over. In de in zichzelf voortrollende en zichzelf herhalende formulering van de eerste twee regels (rustend - golven - rustend – golven) is al uitgedrukt wat er in werkelijkheid op de grens van zee en strand voortdurend gebeurt.
De zee, met “haar” golven, wordt hier voorgesteld als een vrouwelijk wezen. In de slotregels krijgt zij er nog een lichaamsdeel bij: een lip. Het is een verrassend beeld voor de kalme aan- en afgaande beweging van het zeewater op het strand: alsof de zee een dier, of een mens, is die met haar lip telkens opnieuw tastenderwijs het zand van het strand probeert de verkennen.
Van Geel noemt het “ontcijferen”. Dat wijst er al op dat de twee niet helemaal dezelfde taal spreken, en elkaar niet meteen begrijpen. Het is geen praten, maar wat dan wel? Het lijkt eerder op proeven, proberen, tasten. Noem het zandlezen. Maar het is niet zomaar een beetje lezen uit nieuwsgierigheid, maar lezen met enige aandrang, en uit verlangen. Het ontcijferen gaat “hartstochtelijk”. Geen zandlezen, maar zandkussen.
Zee en zand gaan naar elkaar op zoek en gaan haast vanzelf in elkaar over. Op een vergelijkbare manier gaat dit natuurgedicht ook haast vanzelf over in een erotische schets. Zee en zand willen opgaan in elkaar. De aan- en afgaande beweging van de golven lijkt op een andere aan- en afgaande beweging, op wat wel wordt genoemd: de oudste beweging ter wereld.

Reacties
Een reactie posten