.
In 1963 verscheen de tweede bundel van Jan Emmens: Autobiografisch woordenboek. Hij bestond uit twee afdelingen: een afdeling met gedichten en een afdeling met prozateksten, in losse lemma’s, in alfabetische volgorde. Sommige van die teksten waren kort en puntig, andere wat uitgebreider en soms liepen ze uit in een kleine essayistische verhandeling. “Aforistisch proza” zou het later worden genoemd, in de verantwoording bij de uitgave van zijn verzamelde gedichten en aforismen. De quasi afstandelijke vorm van een reeks lexiconlemma’s bood Emmens de mogelijkheid om het ook af en toe over zichzelf te hebben, in bedekte termen. Bij elkaar vormden ze het autobiografische woordenboek dat in de titel van de bundel al werd aangekondigd.
Deze losse vorm moet Emmens goed zijn bevallen. Hij publiceerde later nog twee “supplementen”, in het tijdschrift Hollands Maandblad van november 1970 en oktober 1971. Die zouden vermoedelijk wel gebundeld zijn als hij niet kort daarna, op 12 december 1971, zou zijn overleden. In zijn nalatenschap bevonden zich nog veel meer van dit soort teksten. Een keuze daaruit is opgenomen in deel I van het Verzameld Werk.
*
Jan Emmens raakte in het begin van de jaren zestig bevriend met Chris van Geel. In zijn eerste “supplement” op zijn Autobiografisch woordenboek nam Emmens bij de letter C een cadeau voor Chris van Geel op:
Cadeautje voor Chris van Geel. Rabbi Abba zag een boom, waarvan de vrucht
een vogel voortbracht, die wegvloog. (The Folklore of Birds, 230)
Dit wonderlijke fragment moet Van Geel, de dichter van zoveel vogel- en boomgedichten, wel hebben aangesproken. Er zit een sprookjesgegeven in, maar het wordt niettemin gebracht als een feit, en voorzien van een degelijke bronvermelding. Van Geel zal het cadeautje met plezier hebben uitgepakt. Hij zal even met instemming hebben geknikt bij de tegenstelling tussen de altijd aan zijn plek gebonden boom en de mogelijkheid om via zijn vruchten op te kunnen gaan in het vrije luchtruim. Misschien heeft hij er een zelfportret in gelezen: van de weinig reislustige dichter die hij was, gedichten voortbrengend die vervolgens een eigen, vrij reizend leven gingen leiden.
Misschien riep het ook nog een herinnering op aan het gedicht ‘Vogel’ van Jan Emmens zelf. Dat was het openingsgedicht uit diens eerste bundel Kunst- en vliegwerk (1957). Daarin wordt een tegenovergestelde beweging afgelegd: niet een vogel die uit een boom wegvliegt, maar een vogel die een boom nadert en erin neerstrijkt. Met als gevolg een tegenovergestelde sfeer: afweren, noodlot, dood, rotting, stilstand. Het gedicht wordt afgesloten met de benauwde vraag of er ooit nog wel een vrije vlucht mogelijk is:
VOGEL
De bomen kregen een betekenis
die zij nog zacht gebarend wilden weren,
maar ’t noodlot was niet meer te keren:
een vogel streek klapwiekend in de wildernis
van takken neer en nu hij roerloos zit
(het licht wordt zo benauwend wit),
denk ik aan dood, verrotte geur van blaren,
hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats...
Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren,
en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?
Van Geel kende het gedicht goed, en betrok het, als het zo uitkwam, ook op zichzelf. Hij schreef de tekst over, op een los vel, en stuurde die naar zijn geliefde Thérèse Cornips toen zij hem tijdelijk verlaten had en hij in eenzaamheid en wanhoop achterbleef in Groet, in het najaar van 1957.
*
Het ‘Cadeautje voor Chris van Geel’ is een vertaling, door Emmens, van een Engelse vertaling van een regel uit een Hebreeuwse tekst, vermoedelijk uit het eind van de dertiende eeuw na Chr.:
Rabbi Abba saw a tree whose fruit (shoot) produced a fowl that flew away.
Hij is te vinden in The Folklore of Birds (1958) van Edward A. Armstrong. Ondertitel: An Enquiry into the Origin & Distribution of some Magico-Religious Traditions. Het citaat staat inderdaad op pagina 230. Het is een boek uit de New Naturalist-serie, stevig en studieus, rijk geïllustreerd en goed gedocumenteerd, helder geschreven en prettig divers van inhoud. Het gaat over allerlei aspecten van de vogelfolklore in allerlei tijden en allerlei culturen: over vuurvogels en dondervogels (Thunderbirds), vogelvolksdansen en vogelmeisjes, de symboliek van uil en raaf, de koekoek in zijn rol van lentebode, de jacht op de winterkoning – en nog veel meer.
Het Rabbi Abba-citaat komt uit het veertiende en laatste hoofdstuk, gewijd aan het geloof in het bestaan van een vogelvis (of visvogel). Door gebrekkige waarneming of door simpele overlevering hebben mensen lang gedacht dat allerlei watervogels geboren werden uit water of uit zee, uit zeeschuim of uit schelpen, uit bomen of vruchten van bomen dicht bij de kust. In dat geval zouden deze watervogels misschien wel tot de vissen gerekend moeten worden. Dat had, voor joden en christenen, gevolgen voor de eetbaarheid en/of de bereiding ervan, al dan niet in vastentijd.
Er was dus een zeker religieus belang mee gediend om te weten hoe het nu precies zat met de herkomst en de biotoop van deze vogels. Armstrong bespreekt de serieuze discussie die in de late middeleeuwen gevoerd werd over de ware aard van brandganzen, rotganzen, boomganzen, boomschelpen, zeewier en zeeschuim. Elke waarneming kon daarbij van belang zijn.
Als rabbijn Abba inderdaad meende een vogel uit een vrucht van een boom te hebben zien wegvliegen, dan hadden we hier misschien niet met vlees te maken, en ook niet met vis, maar met een vorm van fruit. Laten we zeggen: gevleugeld zeefruit. Voor fruit golden andere spijswetten en bereidingsvoorschriften dan voor vlees en vis.
(Bewerking van ‘Cadeau’, in ‘Het Van Geel Alfabet. Vijfde supplement’, Tirade 389, mei 2001)
(Illustratie uit J. Gerard, The Herball or General Historie of Plantes. Londen, 1597. Opgenomen in The Folklore of Birds, p. 228)
In 1963 verscheen de tweede bundel van Jan Emmens: Autobiografisch woordenboek. Hij bestond uit twee afdelingen: een afdeling met gedichten en een afdeling met prozateksten, in losse lemma’s, in alfabetische volgorde. Sommige van die teksten waren kort en puntig, andere wat uitgebreider en soms liepen ze uit in een kleine essayistische verhandeling. “Aforistisch proza” zou het later worden genoemd, in de verantwoording bij de uitgave van zijn verzamelde gedichten en aforismen. De quasi afstandelijke vorm van een reeks lexiconlemma’s bood Emmens de mogelijkheid om het ook af en toe over zichzelf te hebben, in bedekte termen. Bij elkaar vormden ze het autobiografische woordenboek dat in de titel van de bundel al werd aangekondigd.
Deze losse vorm moet Emmens goed zijn bevallen. Hij publiceerde later nog twee “supplementen”, in het tijdschrift Hollands Maandblad van november 1970 en oktober 1971. Die zouden vermoedelijk wel gebundeld zijn als hij niet kort daarna, op 12 december 1971, zou zijn overleden. In zijn nalatenschap bevonden zich nog veel meer van dit soort teksten. Een keuze daaruit is opgenomen in deel I van het Verzameld Werk.
*
Jan Emmens raakte in het begin van de jaren zestig bevriend met Chris van Geel. In zijn eerste “supplement” op zijn Autobiografisch woordenboek nam Emmens bij de letter C een cadeau voor Chris van Geel op:
Cadeautje voor Chris van Geel. Rabbi Abba zag een boom, waarvan de vrucht
een vogel voortbracht, die wegvloog. (The Folklore of Birds, 230)
Dit wonderlijke fragment moet Van Geel, de dichter van zoveel vogel- en boomgedichten, wel hebben aangesproken. Er zit een sprookjesgegeven in, maar het wordt niettemin gebracht als een feit, en voorzien van een degelijke bronvermelding. Van Geel zal het cadeautje met plezier hebben uitgepakt. Hij zal even met instemming hebben geknikt bij de tegenstelling tussen de altijd aan zijn plek gebonden boom en de mogelijkheid om via zijn vruchten op te kunnen gaan in het vrije luchtruim. Misschien heeft hij er een zelfportret in gelezen: van de weinig reislustige dichter die hij was, gedichten voortbrengend die vervolgens een eigen, vrij reizend leven gingen leiden.
Misschien riep het ook nog een herinnering op aan het gedicht ‘Vogel’ van Jan Emmens zelf. Dat was het openingsgedicht uit diens eerste bundel Kunst- en vliegwerk (1957). Daarin wordt een tegenovergestelde beweging afgelegd: niet een vogel die uit een boom wegvliegt, maar een vogel die een boom nadert en erin neerstrijkt. Met als gevolg een tegenovergestelde sfeer: afweren, noodlot, dood, rotting, stilstand. Het gedicht wordt afgesloten met de benauwde vraag of er ooit nog wel een vrije vlucht mogelijk is:
VOGEL
De bomen kregen een betekenis
die zij nog zacht gebarend wilden weren,
maar ’t noodlot was niet meer te keren:
een vogel streek klapwiekend in de wildernis
van takken neer en nu hij roerloos zit
(het licht wordt zo benauwend wit),
denk ik aan dood, verrotte geur van blaren,
hetzelfde zijn op steeds dezelfde plaats...
Hoe komt wie vliegt ooit tot bedaren,
en wie niet vliegt ooit van zijn plaats?
Van Geel kende het gedicht goed, en betrok het, als het zo uitkwam, ook op zichzelf. Hij schreef de tekst over, op een los vel, en stuurde die naar zijn geliefde Thérèse Cornips toen zij hem tijdelijk verlaten had en hij in eenzaamheid en wanhoop achterbleef in Groet, in het najaar van 1957.
*
Het ‘Cadeautje voor Chris van Geel’ is een vertaling, door Emmens, van een Engelse vertaling van een regel uit een Hebreeuwse tekst, vermoedelijk uit het eind van de dertiende eeuw na Chr.:
Rabbi Abba saw a tree whose fruit (shoot) produced a fowl that flew away.
Hij is te vinden in The Folklore of Birds (1958) van Edward A. Armstrong. Ondertitel: An Enquiry into the Origin & Distribution of some Magico-Religious Traditions. Het citaat staat inderdaad op pagina 230. Het is een boek uit de New Naturalist-serie, stevig en studieus, rijk geïllustreerd en goed gedocumenteerd, helder geschreven en prettig divers van inhoud. Het gaat over allerlei aspecten van de vogelfolklore in allerlei tijden en allerlei culturen: over vuurvogels en dondervogels (Thunderbirds), vogelvolksdansen en vogelmeisjes, de symboliek van uil en raaf, de koekoek in zijn rol van lentebode, de jacht op de winterkoning – en nog veel meer.
Het Rabbi Abba-citaat komt uit het veertiende en laatste hoofdstuk, gewijd aan het geloof in het bestaan van een vogelvis (of visvogel). Door gebrekkige waarneming of door simpele overlevering hebben mensen lang gedacht dat allerlei watervogels geboren werden uit water of uit zee, uit zeeschuim of uit schelpen, uit bomen of vruchten van bomen dicht bij de kust. In dat geval zouden deze watervogels misschien wel tot de vissen gerekend moeten worden. Dat had, voor joden en christenen, gevolgen voor de eetbaarheid en/of de bereiding ervan, al dan niet in vastentijd.
Er was dus een zeker religieus belang mee gediend om te weten hoe het nu precies zat met de herkomst en de biotoop van deze vogels. Armstrong bespreekt de serieuze discussie die in de late middeleeuwen gevoerd werd over de ware aard van brandganzen, rotganzen, boomganzen, boomschelpen, zeewier en zeeschuim. Elke waarneming kon daarbij van belang zijn.
Als rabbijn Abba inderdaad meende een vogel uit een vrucht van een boom te hebben zien wegvliegen, dan hadden we hier misschien niet met vlees te maken, en ook niet met vis, maar met een vorm van fruit. Laten we zeggen: gevleugeld zeefruit. Voor fruit golden andere spijswetten en bereidingsvoorschriften dan voor vlees en vis.
(Bewerking van ‘Cadeau’, in ‘Het Van Geel Alfabet. Vijfde supplement’, Tirade 389, mei 2001)
(Illustratie uit J. Gerard, The Herball or General Historie of Plantes. Londen, 1597. Opgenomen in The Folklore of Birds, p. 228)

Reacties
Een reactie posten