.
In zijn bundel Enkele gedichten (1973) nam Chris van Geel een gedicht over een jager op. Hij is een “man uit het bos”, die een schot heeft gelost en vervolgens op zoek gaat naar het resultaat:
JACHT
Met de rook uit de loop van de buks
zoekt de man uit het bos zijn geluk.
Strak en stoer ligt de haan op het veld,
harde dood in zijn veren gespeld.
Als je het hardop leest, hoor je een heel regelmatig ritme. Kort-kort-lang, kort-kort-lang, kort-kort-lang: met-de-rook, uit-de-loop, van-de-buks. En-zo-voort.
Zo’n vast ritme wordt in de schoolboeken een ‘versvoet’ genoemd. Deze versvoet, kort-kort-lang, heet een ‘anapest’. Het aardige van het woord anapest is dat het ritmisch zelf ook een a-na-pest is.
De anapest komt in het Nederlands niet heel veel voor, vanwege de dominante dreun die hij al gauw met zich meebrengt. Meestal wordt hij gebruikt voor het wat zwaardere werk, zoals bijvoorbeeld marsliederen. Hier past hij goed bij het soldateske onderwerp. Hij geeft wat je noemt een functionele dreun aan het jachttafereel.
Van Geel nam het gedicht later ook op in zijn Dierenalfabet. Niet bij de letter H, van Haan, maar bij de letter F, ná drie gedichten over een fazant, en vóór een gedicht over een feniks. Daaruit moeten we afleiden dat de in het gedicht genoemde, door de jager ritmisch neergeknalde haan geen patrijzenhaan of een korhoenhaan of een andere vogelhaan is, maar hoogstwaarschijnlijk een fazantenhaan.
(Bewerking van ‘Anapest’ en ‘F-Haan’, in ‘Het Van Geel Alfabet’ [eerste aflevering], Tirade 379, juni 1999)
In zijn bundel Enkele gedichten (1973) nam Chris van Geel een gedicht over een jager op. Hij is een “man uit het bos”, die een schot heeft gelost en vervolgens op zoek gaat naar het resultaat:
JACHT
Met de rook uit de loop van de buks
zoekt de man uit het bos zijn geluk.
Strak en stoer ligt de haan op het veld,
harde dood in zijn veren gespeld.
Als je het hardop leest, hoor je een heel regelmatig ritme. Kort-kort-lang, kort-kort-lang, kort-kort-lang: met-de-rook, uit-de-loop, van-de-buks. En-zo-voort.
Zo’n vast ritme wordt in de schoolboeken een ‘versvoet’ genoemd. Deze versvoet, kort-kort-lang, heet een ‘anapest’. Het aardige van het woord anapest is dat het ritmisch zelf ook een a-na-pest is.
De anapest komt in het Nederlands niet heel veel voor, vanwege de dominante dreun die hij al gauw met zich meebrengt. Meestal wordt hij gebruikt voor het wat zwaardere werk, zoals bijvoorbeeld marsliederen. Hier past hij goed bij het soldateske onderwerp. Hij geeft wat je noemt een functionele dreun aan het jachttafereel.
Van Geel nam het gedicht later ook op in zijn Dierenalfabet. Niet bij de letter H, van Haan, maar bij de letter F, ná drie gedichten over een fazant, en vóór een gedicht over een feniks. Daaruit moeten we afleiden dat de in het gedicht genoemde, door de jager ritmisch neergeknalde haan geen patrijzenhaan of een korhoenhaan of een andere vogelhaan is, maar hoogstwaarschijnlijk een fazantenhaan.
(Bewerking van ‘Anapest’ en ‘F-Haan’, in ‘Het Van Geel Alfabet’ [eerste aflevering], Tirade 379, juni 1999)

Reacties
Een reactie posten