Doorgaan naar hoofdcontent

Posts

Posts uit december, 2025 tonen

Cadeautje

. In 1963 verscheen de tweede bundel van Jan Emmens: Autobiografisch woordenboek . Hij bestond uit twee afdelingen: een afdeling met gedichten en een afdeling met prozateksten, in losse lemma’s, in alfabetische volgorde. Sommige van die teksten waren kort en puntig, andere wat uitgebreider en soms liepen ze uit in een kleine essayistische verhandeling. “Aforistisch proza” zou het later worden genoemd, in de verantwoording bij de uitgave van zijn verzamelde gedichten en aforismen. De quasi afstandelijke vorm van een reeks lexiconlemma’s bood Emmens de mogelijkheid om het ook af en toe over zichzelf te hebben, in bedekte termen. Bij elkaar vormden ze het autobiografische woordenboek dat in de titel van de bundel al werd aangekondigd.        Deze losse vorm moet Emmens goed zijn bevallen. Hij publiceerde later nog twee “supplementen”, in het tijdschrift Hollands Maandblad van november 1970 en oktober 1971. Die zouden vermoedelijk wel gebundeld zijn a...

Slaap

. Slaap is voor een dichter heel belangrijk, althans voor een dichter als Van Geel. Nietsdoen ook. In een gesprek met Gerard Brands in oktober 1972 gaf hij een lange en bevlogen verdediging van het nietsdoen, een stevig pleidooi voor een zuiver contemplatieve manier van leven, zonder ambities: “Mijn interesse voor baby’s is ook enorm. Ik vind niks mooiers dan een baby, die rustig ligt. Een poes die op het tapijt ligt, die suggereert ook op de een of andere manier contact met een welbevinden. Dat doet een baby ook, of ie nou met open ogen ligt te staren of ligt te slapen. (…) Het ware ongeluk begint pas wanneer de mensen denken dat er een ander wezen aan te pas moet komen willen zij zich op hun gemak kunnen voelen. Dat zwak voor de slaap en voor de slaaphebbende mens is ook iets kenmerkends voor mij.” Wie slaap zo belangrijk vindt, moet in gesprek met een interviewer vanzelf tot deze conclusie komen: “En ik heb ook liever dat jij slaapt dan dat je met me praat.” Het is een verrasse...

Brinta

. Op vrijdag 18 januari 1963, midden in de barre winter van 1963, werd de twaalfde Elfstedentocht verreden. De tocht zou de geschiedenis ingaan als de zwaarste tocht aller tijden. Er lag twintig centimeter sneeuw, het was gemeen koud, en in de loop van de dag stak er een krachtige noordoostenwind op. Het ijs was op veel plekken nauwelijks begaanbaar, door scheuren, hobbels en spleten. Er waren maar weinig schaatsers die de eindstreep haalden: “Van de 568 wedstrijdrijders wisten slechts 57 binnen de vereiste 2 uur na de winnaar binnen te komen. Van de 9294 toertochters die aan de tocht waren begonnen konden er aan het eind van de dag slechts 69 (0,74%) het Elfstedenkruisje in hun handen houden.” (Wikipedia)        De tocht werd op televisie uitgezonden, maar was ook te volgen via de radio. Chris van Geel en Elly de Waard hadden toen nog geen televisie. Ze “luisterden de hele dag naar de radio om de voortgang van de schaatsers onder deze extreme omstan...

Anapest

. In zijn bundel Enkele gedichten (1973) nam Chris van Geel een gedicht over een jager op. Hij is een “man uit het bos”, die een schot heeft gelost en vervolgens op zoek gaat naar het resultaat:        JACHT        Met de rook uit de loop van de buks        zoekt de man uit het bos zijn geluk.        Strak en stoer ligt de haan op het veld,        harde dood in zijn veren gespeld. Als je het hardop leest, hoor je een heel regelmatig ritme. Kort-kort-lang, kort-kort-lang, kort-kort-lang: met-de-rook, uit-de-loop, van-de-buks. En-zo-voort.        Zo’n vast ritme wordt in de schoolboeken een ‘versvoet’ genoemd. Deze versvoet, kort-kort-lang, heet een ‘anapest’. Het aardige van het woord anapest is dat het ritmisch zelf ook een a-na-pest is.     ...

Zandlezen

. Wat is poëzie? Poëzie valt op veel manieren te definiëren, maar dit lijkt mij een van de belangrijkste kenmerken ervan: de regels worden afgebroken. De ene dichter is er beter in dan de andere. En de een doet er ook meer mee dan de ander. Kees Verheul (1940-2024) vond dat Chris van Geel op dit onderdeel “een grote virtuositeit” had ontwikkeld, zo schreef hij in zijn essay ‘De wereld in raadselspreuken’ (in De Revisor , november 1975).        Van Geel was een meester in wat Verheul “een misleidende zinsbouw” noemde. Het is normaal dat bij het lezen de aandacht aan het eind van iedere versregel even wordt stilgezet. Voordat we verder gaan, interpreteren we het voorafgaande als één samenhangend geheel. Van Geel speelde met dat mechanisme. Hij “breekt de zinnen in zijn versregels bij voorkeur zo af dat we onze interpretaties later moeten herzien – we blijken ‘verkeerd’ te hebben gelezen.” Als eerste voorbeeld noemt hij de beginregel van het gedicht ...